Discussie over Gramsci en de Italiaanse linkerzijde
Verslagen vanop de zomerschool van het CWI
Op de internationale zomerschool van het CWI vond een interessante discussie plaats over de figuur en de ideeën van Gramsci, een leider van de Italiaanse marxisten die een belangrijke rol speelde in de revolutionaire beweging van 1918-19 en nadien vooral bekend werd van zijn Gevangenisgeschriften. Dat allerhande academici en neo-marxisten achteraf Gramsci hebben aangehaald voor standpunten die weinig met het marxisme gemeen hebben, mag er ons niet van weerhouden om een eigen inschatting van Gramsci te maken.
De discussie werd ingeleid en afgerond door Marco Veruggio van ControCorrente, de Italiaanse afdeling van het CWI. Marco bracht een historisch overzicht van het leven en werk van Gramsci, zowel zijn rol en betrokkenheid bij de revolutionaire beweging in Italië als zijn werk in gevangenschap.
De Italiaanse arbeidersklasse kende een grote groei tijdens de Eerste Wereldoorlog omdat er productie werd georganiseerd om aan de vraag naar wapens, zware industrie en infrastructuur te voldoen. Dit gaf ook de arbeidersorganisaties een snelle groeischeut. Waar de Socialistische Partij voor de oorlog 20.000 leden telde, waren dit er in 1919 200.000. Bij de algemene verkiezingen haalde de partij twee miljoen stemmen en meer dan 100 verkozenen. De partij telde 2000 afdelingen en controleerde 2800 gemeenteraden, naast een groot aantal coöperatieven en vakbonden.
De sociaal-democratische organisaties telden alles samen al gauw 4 miljoen leden. Deze snelle ontwikkeling leidde ook tot het ontstaan van een enorme arbeidersaristocratie, een bureaucratie aan de top van de arbeidersorganisaties. Dit zou een grote invloed hebben op de verdere ontwikkelingen in Italië.
Gramsci was op dat ogenblik actief in Turijn. Hij was voorheen actief bij een beweging die opkwam voor meer onafhankelijkheid voor Sardinië. Daarbij werd een kritiek op het noorden van Italië gegeven zonder een onderscheid te maken tussen arbeiders en patroons. Beiden werden even verantwoordelijk gehouden voor de armoede in het zuiden. De broer van Gramsci was evenwel actief binnen de socialistische partij en slaagde er in om zijn broer ervan te overtuigen om hetzelfde te doen. Gramsci zou al snel een leidinggevende figuur van de marxistische linkerzijde worden.
In Turijn stond de groep rond L’Ordine Nuevo sterk, dat was een groep revolutionairen binnen de socialistische partij. Hiernaast was er nog een tweede groep revolutionairen, deze geleid door Bordiga. Beide groepen hadden een verschillende benadering en een andere visie tegenover de klassenstrijd. De tegenstellingen tussen beide groepen zouden een beslissende rol spelen in de discussies binnen de revolutionaire linkerzijde in Italië.
Bordiga had eerder een elitaire visie met een propagandistische benadering. Hij stelde zich bovendien sectair op tegenover andere groepen. Gramsci en L’Ordine Nuevo benadrukten het idee van arbeidersraden in de bedrijven om voorbereid te zijn om zelf de fabrieken in handen te nemen. Deze arbeidersraden stonden tegenover de bedrijfsraden waarbij de vertegenwoordigers enkel door vakbondsleden werden verkozen. De arbeidersraden waren breder met een betrokkenheid van alle arbeiders. Er werd gepleit voor coördinatiecomités per stad en een nationale overkoepeling.
Gramsci en co stonden vooraan in de strijd tijdens de “rode jaren” van 1919-1920 toen massaal werd overgegaan tot fabrieksbezettingen. Zie ook dit artikel over Italië 1920. In Turijn waren er op het hoogtepunt van de beweging 150.000 arbeiders betrokken bij de bezettingsacties.
De fabrieksbezettingen na de Eerste Wereldoorlog kwamen er omwille van een samenloop van omstandigheden: er was een snelle groei van de arbeidersklasse geweest, maar na de oorlog kwam de economie in een crisis terecht. De productie nam af, het begrotingstekort liep op en de schulden gingen snel de hoogte in. De heersende klasse was erg bang van de snelle opkomst van de arbeidersklasse en een deel van de heersende klasse ging al snel over tot het steunen van de radicale reactionairen rond Mussolini.
In de aanloop naar de fabrieksbezettingen was er een harde loonstrijd tussen de metaalarbeiders en het patronaat. De metaalbond Fiom stond vooraan in het protest en besloot om de fabrieken te bezetten. In Turijn werd deze beweging geleid door een erg ontwikkelde laag van de arbeiders. De fabrieksraden beheerden de productie, zorgden voor de verkoop va een deel van de productie om inkomsten te hebben om de strijd voort te kunnen zetten. De fabrieken werden gewapend verdedigd en er waren verschillende gewapende confrontaties met de politie.
Het establishment probeerde de beweging aanvankelijk te stoppen door een gematigde positie in te nemen: er kwam niet meteen een directe aanval op de bezette fabrieken. Er werd geprobeerd om verdeeldheid binnen de vakbonden en de socialistische partij te versterken. De leiding van die organisaties weigerden om ernstige solidariteitsacties te organiseren doorheen heel het land, ook werd niets ondernomen om andere arbeiders en arme boeren uit Zuid-Italië bij de beweging te betrekken. Hierdoor raakte het coördinatiecomité van Turijn steeds meer geïsoleerd. Dit leidde tot kritiek van Gramsci op de partij en op de leiding van de vakbondsfederatie Cgil.
De vakbondsleiding toonde haar laffe rol in het conflict, ze verklaarde dat ze de opstand zou steunen indien de partij ertoe zou oproepen. Meteen werd duidelijk gemaakt dat de vakbondsleiding niet bereid was om een leidinggevende rol te spelen in een dergelijke opstand. De leiding durfde niet vooruit te gaan en werd uiteindelijk verslagen. Hier lag meteen de kiem voor de latere overwinning van het fascisme.
Binnen de revolutionaire beweging was er een meningsverschil over de lessen die uit de nederlaag moesten worden getrokken. Zo was Gramsci het niet eens met de benadering van Bordiga tegenover de groep ex-soldaten die zich had georganiseerd onder de naam “Moed van het volk” en die bereid was om de arbeidersbeweging met alle mogelijke middelen te verdedigen. Bordiga was tegen toenadering tot deze groep en stelde dat de communisten eigen gewapende groepen moesten opzetten. Dat verzwakte de positie van de enige gewapende groep die in staat was om effectief weerstand te bieden tegen de fascisten. Het was overigens enkel in Parma dat de fascisten een nederlaag opliepen en dit omwille van de positie van “Moed van het volk”.
Bordiga steunde het standpunt van het congres van de Communistische Internationale van 1920 om overal communistische partijen op te zetten. Er werd effectief in 1921 een nieuwe communistische partij opgezet op een congres in Livorno. De centrale leiders van deze nieuwe partij die zich afscheidde van de socialistische partij waren Bordiga en Gramsci. Toen de Comintern begin jaren 1920 opriep om een eenheidsfront te vormen met andere organisaties en partijen, verzette Bordiga zich daar tegen. Hij beschikte over een grote autoriteit in de partij en kon zijn verzet doorduwen. Gramsci was het niet eens met Bordiga maar durfde er niet echt tegen in te gaan. Hij vreesde dat kritiek op Bordiga de kleine communistische partij zou verzwakken en zag niet in dat het gebrek aan kritiek op een foute koers van de partij uiteindelijk veel meer schade zou aanrichten.
Gramsci was de vertegenwoordiger van de Italiaanse Communistische Partij (PCI) bij de Comintern in Moskou. Die rol zou later worden overgenomen door Togliatti, die na Wereldoorlog Twee een belangrijke leider van de PCI zou worden. Toen de degeneratie van de Sovjetunie zich begon te manifesteren, zocht Bordiga toenadering tot Trotski. De reactie van Gramsci was om nauwer aan te leunen bij de leiding van de Comintern in de hoop dat dit de positie van Bordiga zou verzwakken. Gramsci schreef aan de leiding van de Comintern dat het goed was dat zij hadden gewonnen in het conflict met de linkse oppositie, maar dat nu niet te ver mocht worden gegaan. Togliatti onderschepte deze brief en hield ze tegen.
De leiding van Bordiga in de PCI werd steeds meer in vraag gesteld door Gramsci die uithaalde naar het sectarisme van Bordiga. Het conflict werd in 1926 beslecht met een nederlaag voor Bordiga, maar Gramsci zou niet lang van de overwinningen kunnen genieten. Hij werd gevangen genomen door de fascisten en zou in de gevangenis verdwijnen waar hij geen actieve rol meer kon spelen in de arbeidersstrijd.
Deze eerste fase van het leven van Gramsci is belangrijk omwille van zijn betrokkenheid en leidinggevende rol in de beweging van de fabrieksraden alsook omwille van de strijd tegen Bordiga in de PCI. Maar vandaag staat Gramsci vooral bekend omwille van wat hij schreef in het tweede deel van zijn leven: zijn befaamde ‘Gevangenisnotities.’
Het is niet makkelijk om de verschillende ideeën in die gevangenisnotities samen te vatten. Gramsci schreef deze niet als onderdeel van een samenhangend afgewerkt geheel waarmee een analyse werd geboden van de toenmalige situatie. Hij heeft ook nooit een analyse gemaakt van de redenen waarom hij uiteindelijk in de gevangenis was beland. Het is een collectie van verschillende principes en ideeën zonder inherente coherentie en op basis van de leefwereld van een politieke gevangene die geïsoleerd van de strijd en de media leefde.
In zijn ‘Gevangenisnotities’ doet Gramsci een poging om de verschillen tussen Oost- en West-Europa te analyseren waarbij hij nadruk legt op de rol van de “civil society” in West-Europa. In de strijd voor de hegemonie over de samenleving moest volgens Gramsci meer nadruk worden gelegd op ideologische strijd en culturele elementen.
De ideeën van Gramsci kunnen op verschillende wijzen worden geïnterpreteerd naargelang de situatie. Togliatti maakte gebruik van de ideeën van Gramsci om opportunistische en reformistische standpunten in de PCI te rechtvaardigen. Hij probeerde de autoriteit van Gramsci te gebruiken, onder meer door diens broer naar de gevangenis te sturen om Gramsci te bezoeken. Die broer verklaarde toen (in 1930) dat Gramsci de partijkoers volledig steunde, maar 30 jaar later stelde hij dat hij had gelogen om Gramsci te beschermen.
Wij moeten een genuanceerde houding innemen tegenover Gramsci. Het was een belangrijke denker van de Italiaanse arbeidersklasse die een grote rol speelde in de strijd van 1919-1920. De ervaring van de strijd rond de fabrieksraden blijft van enorm belang voor de Italiaanse arbeidersbeweging. Anderzijds worden enkele onduidelijke concepten uit zijn ‘Gevangenisnotities’ misbruikt door allerhande reformisten om hun rechtse koers te rechtvaardigen, dat is vandaag nog steeds het geval binnen de Democratische Partij en de Rifondazione Comunista. Gramsci was echter geen reformist, hij was een revolutionair.
Wel moeten we wijzen op beperkingen en tegenstrijdigheden. Gramsci slaagde er niet in om op het juiste moment in het offensief te gaan en naar een breuk te gaan. Hij ging aanvankelijk de strijd binnen de PCI niet aan en maakte ook een verkeerde inschatting van hoe hij met de strijd binnen de Comintern en de opkomst van de stalinistische degeneratie moest omgaan. In onze houding tegenover Gramsci mogen we ons niet laten misleiden door het vele misbruik dat achteraf werd gemaakt van onduidelijkheden in zijn gevangenisnotities.