Marx is terug en had gelijk (aldus kapitalistische economen)

Dat Marx terug is, kunnen we quasi dagelijks merken in de media. Economen grijpen terug naar Marx om de crisis uit te leggen. Nadat Roubini naar Marx verwees, volgde nu op de website van Bloomberg een interessante analyse door George Magnus, senior economic adviser van UBS. Hij raadt beleidsmakers aan om Marx te bestuderen.

“De geest van Marx (…) is uit het graf opgestaan midden een financiële crisis en bijhorende economische slump. De sluwe analyse van het kapitalisme door de filosoof had heel wat gebreken, maar de huidige wereldeconomie vertoont akelig veel gelijkenissen met de omstandigheden die hij voorzag”. Dat schrijft Magnus in een interessant opiniestuk dat je hier volledig in het Engels kunt lezen.

Daarbij verwijst de auteur naar de wijze waarop het kapitalisme aan de ene kant een accumulatie van rijkdom bij een kleine minderheid kent, terwijl er anderzijds een “accumulatie van miserie” voor de meerderheid is. Magnus wijst erop dat de Amerikaanse ongelijkheid op het hoogste niveau sinds de jaren 1920 staat, “voor 2008 werd de inkomensongelijkheid verborgen door factoren zoals gemakkelijk krediet, waardoor arme gezinnen een hogere levensstijl konden aannemen. Maar nu komen de problemen aan de oppervlakte”.

Het fundamentele probleem van het kapitalisme is er een van overproductie. Magnus: “Hoe meer mensen in armoede terechtkomen, hoe minder ze in staat zijn om alle geproduceerde goederen en diensten te consumeren. Als een bedrijf de kosten beperkt om de inkomsten te stimuleren, is dat slim, maar als ze het allemaal doen, ondermijnen ze de inkomensvorming en de effectieve vraag waar ze afhankelijk van zijn voor inkomsten en winsten”. De ineenstorting van de vraag is evident in onder meer de VS, waar de huizenbouw en de verkoop van auto’s respectief 75% en 30% onder hun niveau in 2006 ligt, aldus Magnus.

Vanuit deze vaststelling pleit Magnus ervoor om geen besparingsbeleid te voeren, maar om te investeren in werkgelegenheid en “andere onorthodoxe maatregelen”. Dat is noodzakelijk omdat de crisis “niet tijdelijk” is en “zeker niet wordt opgelost met een ideologische passie voor besparingen”. Dat moet volgens Magnus niet door de werkgevers aan te pakken en de recordwinsten te socialiseren, maar door tewerkstelling goedkoper te maken. Ook stelt hij voor om de particuliere schulden te verlagen door hypotheken te herberekenen of zelfs deels kwijt te schelden. Banken zouden tijdelijke hulp moeten krijgen en in Europa moeten lagere rentevoeten en langere betaaltermijnen aan Griekenland worden toegekend.

Met dergelijke voorstellen hoopt Magnus het kapitalistische systeem te redden. Hij erkent dat dit de inzet is. “We weten niet of deze maatregelen zouden werken of wat de onbedoelde gevolgen ervan kunnen zijn. Maar een status-quo is evenmin aanvaardbaar. Het kan van de VS een meer onstabiele versie van Japan maken en de eurozone laten uiteenspatten met ongekende politieke gevolgen. Tegen 2013 zou de crisis van het Westerse kapitalisme gemakkelijk kunnen overslaan naar China”.

Economen zoals Magnus en Roubini beseffen dat de situatie bijzonder ernstig is en daarbij grijpen ze terug naar de analyses van Marx over het kapitalisme. Ze beperken Marx tot deze analyses zonder in te gaan op wat Marx als ‘oplossingen’ (beter gezegd: als alternatief) naar voor bracht. Daarmee willen ze het marxisme ontdoen van de actieve component: de uitbouw van een socialistisch alternatief. De marxistische analyse van het kapitalisme kan daar evenwel niet los van worden gezien.

In de logica van het kapitalisme zal er steeds een “algemene tendens zijn om het gemiddelde loonpeil niet te verhogen docht te verlagen of de waarde van de arbeid meer of minder tot op haar minimumgrens omlaag te drukken” (Marx in Loon, prijs en winst). Marx pleitte voor het organiseren van de arbeidersbeweging om toegevingen af te dwingen en tegelijk de strijd voor een andere samenleving moet aangaan, waarbij beide elementen met elkaar verbonden zijn. “Als de arbeidersklasse in haar dagelijkse botsingen met het kapitaal laf zou inbinden, zou zij zich zelf ontegenzeggelijk beroven van het vermogen de een of andere grotere beweging op gang te brengen”. Over de vakbonden die opkwamen voor beperkte hervormingen stelde Marx: “Zij slagen in het algemeen niet in hun opzet, doordat zij zich beperken tot een guerrillastrijd tegen de uitwerkingen van het bestaande systeem, in plaats van tegelijkertijd te proberen dit systeem te veranderen, in plaats van hun georganiseerde krachten te gebruiken als een hefboom voor de definitieve bevrijding van de arbeidersklasse, d.w.z. voor het definitief afschaffen van het loonsysteem.”

Het kapitalisme zit in een diepe crisis en zal daar op kapitalistische basis enkel uit geraken indien de prijs daarvan uiteindelijk wordt doorgeschoven naar de arbeiders en hun gezinnen. Dat is onaanvaardbaar en moet beantwoord worden met een offensieve strijd voor een socialistisch alternatief waarbij niet de winsten van een kleine minderheid centraal staan, maar de behoeften van een grote meerderheid. Daartoe moeten de sleutelsectoren van de economie uit private handen worden gehaald en onder de democratische controle en beheer van de arbeiders en hun gezinnen worden geplaatst. Als burgerlijke economen Marx opnieuw aanhalen, moeten we van de gelegenheid gebruik maken om dat te koppelen aan onze dagelijkse strijd voor een socialistische samenleving.