Tunesië en Egypte: twee revoluties die de wereld deden daveren
Verslagen vanop de zomerschool van het CWI
De omwentelingen die het Midden-Oosten en Noord-Afrika sinds een half jaar doormaken, kunnen de grootste verandering van de laatste tien jaar genoemd worden. Deze collectieve uitbarsting is de spontane uiting van een maatschappij in diepe crisis; net zoals de individuele actie van Mohammad Bouazizi dat was, de werkloze jongeman uit Tunesië die zichzelf in brand had gestoken en zo de aanleiding vormde voor het protest.
In Egypte wisten de massa’s een regime ten val te brengen dat dertig jaar had stand gehouden. En misschien wordt Tunesië, na een laboratorium voor neoliberalisme te zijn geweest, ooit het laboratorium voor moderne klassenstrijd. Ook voor het CWI hebben deze revoluties heel wat betekent. We zagen dat onder andere in de aanwezigheid op de zomerschool van het CWI van kameraden uit Tunesië, en dat werd erg geapprecieerd.
De georganiseerde arbeidersklasse kan het verschil maken
De sessie over de revoluties in Tunesië en Egypte benadrukte een aantal aandachtspunten. Eerst en vooral werd gewezen op de mate waarin de aan- of afwezigheid van de georganiseerde arbeidersklasse een invloed heeft op het karakter van de beweging. Meer dan Twitter, Youtube en Facebook waren het georganiseerde arbeiders die gericht slagen konden uitdelen.
Al zijn heel wat mensen op Tahrir niet gewaar van wat kapitalisme nu exact is en geven hun slogans maar een beperkte vertaling van de systeemcrisis die hen treft, toch is het radicale karakter van het protest te danken aan de aanwezigheid van de arbeidersklasse.
Hoe langer het protest in die landen duurt, des meer kunnen we zien hoe sectoren van de arbeidersklasse het conflict in de richting van arbeiderscontrole stuwen en daarmee behoedzaam de limieten van een dat kapitalisme aftasten. Na het vertrek van de Tunesische dictator Ben Ali werden soms hele steden ingenomen door rebellen, terwijl het in Egypte de volksmilities waren die de politie vervingen.
In Tunesië was het een reeks algemene stakingen, vooral in de grote steden, die cruciale eenheid onder de bevolking kon brengen en Ben Ali op de vlucht deed slaan. We zien ook dat na verloop van tijd deze acties spontaan een erg volwassen, berekend karakter beginnen te krijgen. Waar politie en leger zijn verdreven, zetten betogers milities op, zorgen ze voor water- en voedselvoorziening, enzovoort.
Dat neemt echter niet weg dat een doordacht politiek programma onontbeerlijk is. Pure spontaniteit van de massa’s volstaat niet. Want eenmaal voor vele duizenden het gebrek aan toekomstperspectief duidelijk wordt, kan euforie omslaan in demoralisatie en kunnen alle verwezenlijkingen op het spel staan. Daarnaast is het belangrijk dat betogers de minder actieve lagen van de bevolking betrekken.
De rol van vakbonden blijft cruciaal. Sinds de val van Moebarak werden in Egypte meer en meer onafhankelijke vakbonden gecreëerd. Laatstleden namen niet minder dan zesenzestig vakbonden deel aan een betoging.
De arbeidersbeweging van Tunesië heeft een geschiedenis die teruggaat op de koloniale periode en de strijd tegen de Fransen. De arbeidersbeweging wordt er vandaag vertegenwoordigd door de nationale vakbondsfederatie UGTT. Het is een organisatie waar veel niet-georganiseerde jongeren en arbeiders naar uitkijken eenmaal ze in actie komt.
Op basis van druk van onderuit heeft de UGTT groen licht gegeven om drie dagen voor de val van Ben Ali betogingen en stakingen te organiseren doorheen het hele land. Op 14 januari werden marsen naar de hoofdstad georganiseerd, soms honderden kilometers lang, om het ontslag van regering en president te eisen. Die revolutionaire kracht kon het regime neerhalen en de daaropvolgende regeringen tot toegevingen dwingen, maar nu wil de regering die beweging op alle manieren breken.
Na de vlucht van Ben Ali zag deze federatie namelijk een stijging van het lidmaatschap. De UGTT heeft bijgevolg heel wat nieuwe afdelingen opgezet en voor het CWI is de houding van deze vakbond cruciaal voor toekomst van de revolutie in Tunesië. Deze houding en de manier waarop het CWI de vakbond benadert, was desgevolg een belangrijk gespreksonderwerp tijdens de sessie.
Een ander veel besproken gegeven was de kwestie van eenheid en verdeeldheid. De heersende klasse is heel bewust van de breuklijnen in de Egyptische en Tunesische samenleving. De belangrijkste vorm van eenheid is die tussen de werkers, vooral die uit de klassieke sectoren zoals de olieverwerking of de metaalindustrie, en de werkloze jeugd. Die laatste maakt een heel groot deel van de bevolking uit.
Niet alleen de oligarchen proberen een dergelijk eenheidsstreven tegen te houden, ook heel wat leiders uit de vakbonden doen dat. Doorheen decennia hebben zij hun posities gekoppeld of zelfs te danken gehad aan de dictators die vandaag uitgedaagd worden.
Dat stelt opnieuw de kwestie van de organisatie van de arbeidersbeweging en de rol die moet worden toebedeeld aan de UGTT. Enerzijds hebben we het succes van de protesten in Egypte en Tunesië te danken aan het op het toneel verschijnen van georganiseerde arbeiders; anderzijds moeten we ook beseffen dat ondanks druk van onderuit een bepaalde laag van bureaucraten de beweging probeert in te dijken.
Een aantal bureaucraten verbindt haar lot namelijk met dat van de huidige voorlopige bewindvoerders. Die bewindvoerders bestaan vooral uit leden van de burgerij en pleiten voor het ‘terug aan het werk gaan’. Ze zien zich geruggensteund door de Europese Unie en vooral de oud-kolonisator Frankrijk.
Democratische hervormingen en permanente revolutie
Een andere belangrijk punt dat op de sessie werd benadrukt was de houding die moest worden aangenomen tegenover de voorlopige bewindvoerders en de beloofde verkiezingen. Recent heeft de voorlopige regering van Tunesië pogingen ondernomen om de organisatoren van stakingsacties vast te zetten. En daar komt nog eens een verbod op stakingen bij. Ook het tijdelijke bestuur van Egypte, de militaire raad, heeft in maart met dreiging van strafrechtelijke vervolging stakingen verboden.
Deze paternalistische, reactionaire houding, die de revolutie uit handen van de grote meerderheid van de bevolking wil nemen en overlaten aan bedrijfsleiders, bureaucraten en oude getrouwen van de gevluchte dictators, wekt bij de Tunesische en Egyptische arbeidersklasse het gevoel dat het oude regime stilaan terug van weggeweest is.
Met het succes van de recente revolutie in het achterhoofd, zijn er veel jongeren en activisten die zich in de naam van de revolutie verzetten tegen deze dwangmaatregelen. De taak van de revolutie blijft echter het wegwerken van de ruggengraat van zowel het oude als het nieuwe regime.
Die ruggengraat wordt gevormd door de uitgebreide politie- en legerapparaten in beide landen. Maar onder de jongeren is er soms weinig angst voor de politie. De revoluties maakten in hun hoogdagen het politieapparaat plots wel heel kwetsbaar; en de oproep om vakbonden en politieke meningen te promoten bij politie en leger geraakt wijdverbreid.
Maar de linkerzijde in Tunesië en Egypte heeft in het verleden die oproep onderschat en het ontbrak bij hen soms aan slogans om het leger van het volksprotest te overtuigen. Nee, men dacht eerder in termen van een voorlopig bewind dat ‘democratie’ moest verzekeren opdat pas daarna beetje bij beetje de revolutie zich zou vervolledigen (en het leger vervolgens zou worden gedemocratiseerd).
Volkscomités en milities werden door deze linkse figuren op z’n best als drukkingsmiddel tegen de regering gezien, niets als voorbodes van zelfbestuur door de hele arbeidersklasse en hun bondgenoten onder de armen, boeren en studenten. De overwinningen op gevluchte politiekorpsen en het feit dat het Egyptische leger geen schoten heeft gelost, werden op hun beurt als voldongen feiten gezien.
Maar laatstleden vonden in Egypte opnieuw enkele schermutselingen plaats tussen regeringstroepen en de protesterende bevolking. Pogingen om opnieuw het Tahrir-plein te bezetten ondervonden brutale weerstand van het leger. Het heeft delen van de bevolking aangetoond wat de echte positie van het leger is. De legerleiding wil namelijk helemaal geen democratisch project, maar een heropleving van de kapitalistische economie in het land.
De huidige regimes zijn nog altijd zwak en onstabiel. De Tunesische verkiezingen die in juli moesten plaatsvinden, komen er pas in oktober. Wat ook naar de wens van imperialisten is; die willen namelijk nog even de tijd nemen om de overgangsregering te stabiliseren. Het referendum in Egypte over grondwetswijzingen kende een lage opkomst, wat duidt op een zeker wantrouwen.
De militaire raad kon aanvankelijk verdere protesten remmen met het idee dat er tijd nodig was om een nieuw bestuur te vormen. Maar de arbeidersklasse zag gauw in dat ze niet langer met de oude elite verder konden (waaronder die legertop). In die context spelen democratische eisen nog een verduidelijkende, progressieve rol.
De situatie doet sterk denken aan de revoluties van 1848-1850 in West- en Centraal-Europa. Ook op dat moment kwamen gelederen van de arbeiders- en middenklassen op straat tegen reactionaire regimes. Marx, Engels en hun bondgenoten uit de bond van Communisten vroegen arbeiders om de maatregelen van de zogenaamde democraten die de macht wilden veroveren (of hadden veroverd) tot hun logische, extreme uitkomst te herleiden. Het is een van de inzichten die heeft geleid tot het idee van een ‘permanente revolutie’.
Daarom ijvert het CWI voor maatregelen ten behoeve van de comités in wijken en werkplaatsen. We beperken ons niet tot de ondersteuning van de eis voor een grondwetsherziening en de bijeenroeping van een democratisch verkozen parlement. We willen de arbeidersorganisatie versterken die de massa’s zouden kunnen mobiliseren in hun eigen belang.
De overgangsregimes zijn niet neutraal, noch zijn ze de vertegenwoordigers van de grote meerderheid van de bevolking. In Egypte heeft de militaire raad wel een aantal toegevingen moeten doen aan de betogers. Maar die toegevingen waren eveneens toegevingen aan de verzuchtingen van de heersende klasse; die wilde vooral dat de protestbeweging zich niet zou ontwikkelen.
Het is met andere woorden dwaas om vanuit het perspectief van de arbeidersklasse iedere ‘democratische hervorming’ als iets positiefs te beschouwen. Voor heel wat Egyptenaren en Tunesiërs is het revolutionaire leerproces als een steile, stijgende curve. Ze hebben in een aanzienlijk korte periode heel wat meegemaakt wat strijd en acties betreft. Maar er valt nog heel wat te verwezenlijken, en iedere overwinning kan op het spel staan bij een wijziging in de krachtsverhouding tussen de volksprotesten en de voorlopige bewindvoerders.
Alle elementen voor een socialistisch programma zitten vervat in de strijd van die arbeiders. Maar wat heel wat mensen – niet in het minst een pak socialisten – doen, is zich vastbijten in een democratische eis zoals dat van de grondwettelijke vergadering als een ding op zich en niet als de uiting van een proces van revolutie en contrarevolutie. Om de revolutie de overhand te laten behalen moeten we verder gaan, onder andere door bedrijfsbezettingen en de creatie van organisatie van zelfbestuur onder armen, boeren, studenten en arbeiders.
Oppositiepartijen vallen in klassieke valkuilen
Op basis van het gevoel dat het regime niet veel is veranderd, proberen heel wat reactionaire krachten zich op te werken. Niet in het minst islamisten en andere conservatieven. Hun opvattingen over de revoluties werken evenals die van de overige burgerlijke partijen als een geleider. Alle opstandige energie moet weggeleid worden naar veiligere kanalen en de conservatieven zijn helemaal geen voorstander van socialistische revolutie.
De Moslimsbroeders uit Egypte hebben een eind gewacht om zich op de beweging te enten. Dat was een enorme uitdaging voor deze groepering. In juni hebben ze hun eigen partij voorgesteld. Het is een partij die voor rechtvaardigheid en vrijheid staat en het is qua samenstelling een bonte mix van zowel liberale (progressieve) elementen als vooral nationalisten en regeringsgezinde krachten.
De voornaamste kracht van de moslimbroeders is het feit dat ze de voorbije dertig jaar zowat de enige vorm van zichtbare oppositie waren. Zelfs militairen en buitenlandse imperialisten begonnen bij gebrek aan partijen met die van de moslimbroeders te onderhandelen.
Maar of de moslimbroeders het nu willen of niet, de laatste algemene stakingen tonen aan dat de revolutie nog niet is afgelopen, en de afwezigheid van de islamisten op cruciale momenten overtuigt geradicaliseerde activisten ervan dat zij geen antwoord bieden op hun problemen.
In april en mei groeide een beweging in Egypte van stakingen en betogingen weer aan tot een niveau van honderdduizenden deelnemers. Veel mensen eisten sindsdien het aftreden van de militaire raad. Het leger dreigt met dezelfde repressieve maatregelen zoals onder voormalige dictator Moebarak. Op ware neoliberale wijze worden betogers ervan beschuldigd de economische groei te verstoren.
Maar sektarische stromingen dragen nog altijd een groot gevaar in zich. Vooral de kans dat die gebruikt worden om een nieuwe ‘Bonaparte’ te installeren, iemand die met behulp van een sterke politiemacht zich boven de strijdende bevolkingsgroepen wil verheffen, vormt een gevaar.
De linkerzijde in Egypte blijft vrij zwak, maar een nieuw platform is echter een front van linkse krachten waaronder de oude socialistische partij en de communistische partij. Soms vind je er de eis voor democratische nationalisatie terug, maar wat programma en vooral revolutionaire bereidheid betreft, blijft het allemaal nog erg onduidelijk.
In Tunesië hebben leden van radicaal-linkse partijen een sleutelrol gespeeld, vooral in de UGTT. Door hun ondergronds werk hebben ze geen typische bureaucraten onder hun rangen, maar door hun aanhang aan de oude ideeën van de USSR of een oppervlakkig reformisme werden ze volledig overrompeld door de gebeurtenissen. Vaak dachten ze dat een revolutie in Tunesië onmogelijk was.
Op dit moment vormen de communistische partij van Tunesië en andere organisaties het 14-januarifront: een volksfronttype organisatie dat net als het linkse front in Egypte ook ‘democraten’ insluit. Ze menen een linkse oppositie te moeten ontwikkelen voor een toekomstige Tunesische democratie. Dat heeft veel weg van een Europees model van ‘democratie’. Omdat deze en andere bewegingen hun visie koppelen aan dat van de vakbondstop van de UGTT, is er geen sprake van een verder zetting – laat staan van een uitdieping – van de revolutie.
Dat heeft als gevolg dat de revolutie volledig afhankelijk wordt van de huidige machthebbers, vak het leger of figuren uit de oude regimes. Die machtshebbers staan onder druk van de economische eisen van landen zoals Frankrijk en Groot-Brittannië. Bovendien doen deze landen mee aan een militaire interventie in Libië, dat zich pal tussen Tunesië en Egypte bevindt.
Om een oplossing te bekomen ten voordele van de grote meerderheid van de bevolking in deze regio moet de revolutie zich uitbreiden en verdiepen. Andere landen zoals Algerije en Saoedi-Arabië zouden hun regimes van zich af moeten schudden. Als de dominostenen een voor een vallen dan kunnen revolutionairen over de grenzen heen elkaar hulp bieden. Ideaal om een militaire interventie door de NAVO en andere imperialistische machten te verijdelen.
Een verdieping van de revolutie betekent dan weer o.a. de bezetting van bedrijven en de nationalisatie ervan onder controle van arbeidersorganisaties. Op die manier kunnen arbeiders, studenten, armen en boeren in deze regio zelf een vuist maken tegen zowel de huidige machtshebbers als de imperialistische belangen vanuit het buitenland.
Een dergelijke permanente revolutie is eveneens cruciaal om de burgeroorlog in Libië en Jemen in een overwinning voor de hele bevolking te laten uitmonden. Het is dat of een eeuwige stammentwist met occasioneel de brutale, bloederige overwinning van de ene fractie op de andere. En omdat het Israëlische regime op de dictators in de regio steunt kan een uitbreiding van de revolutie ook een oplossing bieden voor het nationale vraagstuk daar.
Een bladzijde werd omgeslagen en een nieuw hoofdstuk in de wereldpolitiek begint
In de afronding van de sessie van de zomerschool over Tunesië en Egypte werd besloten dat ook deze revolutie ‘textbook revolutions’ waren. Met uitzondering van de neiging bij bureaucratische figuren om plat op de buik te gaan, is er niets dat revolutionairen en activisten mag weerhouden om positieve lessen te trekken uit de revoluties van het interbellum (Rusland, Duitsland, Spanje, enzovoort).
We kunnen er gerust van uitgaan dat er het voorbije (half) jaar enorm veel is veranderd. Na dertig jaar neoliberalisme staat her en der revolutie opnieuw op de agenda. Voor zowel de revoluties daar als voor marxisten over de hele wereld zijn de uitdagingen enorm groot, en er zijn heel wat vallen waarin de revoluties van het Midden-Oosten kunnen trappen.
Maar desondanks kunnen we ook vertrouwen scheppen uit de opmerkelijke volwassen houding die jongeren en arbeiders aan de dag hebben gelegd op het gebied van politiek en organisatievermogen. De invloed ervan valt niet te onderschatten. Heel snel breidde de revolutionaire golf zich naar andere landen uit.
Ook in Zuid-Europa zagen we hoe jongeren de protesten uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika kopieerden. Ze zetten her en der hun eigen Tahrir-pleinen op. Hoewel deze protesten van veel kortere duur waren, kan niet worden uitgesloten dat jongeren en arbeiders zich op eigen tempo en door hun eigen opgedane ervaring leren organiseren en de politieke agenda van Europa gaan bepalen.