Imperialistische tegenstellingen leiden tot dodelijke Afrika Cup

Op 8 januari 2010 werd de bus van de voetbalploeg van Togo aangevallen door onafhankelijkheidsstrijders van de Beweging voor de bevrijding van Cabinda (FLEC). De bus trok door Cabinda op weg naar Angola, de organisator van de Afrika Cup. De dodelijke aanslag bracht drie mensen om het leven, waaronder de trainer van de Tologese ploeg. De regering van Togo vroeg de spelers om terug te keren naar hun land, waarop de ploeg werd gediskwalificeerd voor de cup.

Door José Eduardo Simba en Boris Malarme

[box type=”shadow” align=”alignright” width=”100″]

Afrika Cup en big business tegen de achtergrond van miserie en honger

In Afrika en daarbuiten leefden heel wat jongeren en arbeiders drie weken lang op het ritme van de Afrika Cup die dit jaar in Angola plaats vond. De helft van het miljard bewoners van het Afrikaanse continent volgde dit voetbalfeest.

De Afrika Cup had dit jaar een nieuwe naam: “Orange Afrika Cup”. Die naam kwam er niet als steun voor de oranje kleuren van de ploeg uit Ivoorkust. De Franse telefoonmultinational Orange was al partner van de ploeg uit Kameroen, is aanwezig in 15 Afrikaanse landen en wil nu haar positie versterken. Orange gaf 60 miljoen euro om acht jaar lang sponsor te zijn van de Afrikaanse landencompetitie.

Onder de andere sponsors vinden we PepsiCo, Standard Bank, Nasuba express, Adidas en Samsung. De televisie- en sponsorrechten van de Afrika Cup voor de periode 2008-2012 werden door het marketingbureau Sportfive verkocht voor een totaal bedrag van 400 miljoen euro. De arrogantie van de multinationals kent geen grenzen. Toen een aanslag werd gepleegd op de Togolese ploeg, was er volgens Christophe Bouchet, directeur van Sportfive, “geen paniek” onder de sponsors.

De jonge Afrikaanse talenten werden zorgvuldig gevolgd door 60 vertegenwoordigers van zowat alle grote (lees: de rijkste) ploegen uit Europa. Het gaat daarbij dikwijls om beursgenoteerde bedrijven die in de jonge spelers een middel zien om meer winsten aan de aandeelhouders te kunnen uitkeren. Het contrast tussen de aanwezigheid van die enorme middelen aan de ene kant en de verschrikkelijke miserie aan de andere kant was bijzonder groot.

Heel wat Afrikaanse landen kenden voor de crisis een economische groei, maar nu is er een stagnatie of zelfs een recessie. De periode van groei heeft de bevolking niet veel opgeleverd: de multinationals werden rijker, maar de bevolking leed onder de opmars van neoliberale maatregelen. In Angola, de organisator van de Afrika Cup dit jaar, is er een totaal gebrek aan infrastructuur (scholen, ziekenhuizen,…) en werden publieke diensten als water, elektriciteit,… geprivatiseerd. 68% van de Angolezen leeft onder de armoedegrens, terwijl de multinationals hun regels opleggen in naam van de winsten.
[/box]

Angola en Cabinda stonden destijds beiden onder Portugese controle tot aan hun onafhankelijkheid in 1975. Vanaf 1956 werden ze onder een gemeenschappelijke koloniale heerschappij geplaatst. Cabinda is een enclave tussen de Democratische Republiek Congo en Congo-Brazaville. Het is vandaag de rijkste provincie van Angola. Dat laatste land was een strijdtoneel voor het VS-imperialisme en de Sovjetunie. Sindsdien heeft de strijd om invloed en controle door verschillende imperialistische machten, net als in andere Afrikaanse landen, geleid tot spanningen en nationale of etnische tegenstellingen. Achter de nationalistische guerrilla in Cabinda staan de Franse belangen. En dat terwijl de Angolese regering onder het juk van de VS staat.

Cabinda kent heel wat natuurlijke rijkdommen (olie, mineralen, diamant). Deze komen vandaag de lokale bevolking niet ten goede. Evenmin zorgt het voor vooruitgang voor de gewone bevolking in Angola. 60% van de Angolese olie komt uit Cabinda en dat is goed voor 42% van het Angolese BBP en 90% van het overheidsbudget. De enorme rijkdommen worden evenwel geplunderd door de imperialisten en de nationale burgerij. De oudste olieconcessie in Cabinda is “Bloc Zéro” (goed voor een derde van de olieproductie) en wordt uitgebaat door een joint-venture van de Angolese publieke onderneming Sonangol (41% van de aandelen), een filiaal van de Amerikaanse multinational Chevron (39%) en de Franse en Italiaanse multinationals Total en ENI die elk ongeveer 10% van de aandelen bezitten.

Terwijl de multinationals grote winsten boeken, worden de arbeiders en armen in zowel Cabinda als elders in Angola geconfronteerd met werkloosheid en een gebrek aan infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg,… De publieke sector, zoals de voorziening van water of elektriciteit, wordt volledig geprivatiseerd. Bijna 80% van de bevolking in Cabinda leeft onder de armoedegrens, dat is zelfs meer dan de gemiddelde 68% in Angola. De Angolese elite en de multinationals hebben de controle over alle economische activiteiten. De lokale burgerij in Cabinda kan geen einde maken aan de imperialistische dominantie in de regio. De oorlogsdaden en het individueel terrorisme van de FLEC zorgen ervoor dat de Angolese arbeiders de repressie van de regering en het leger in Cabinda gaan steunen.

Het is niet mogelijk om de nationale kwestie in Cabinda op te lossen onder het kapitalisme. Op basis van dit systeem zou een onafhankelijkheidsverklaring van Cabinda wellicht enkel leiden tot een nieuwe burgeroorlog. Het economische belang van de regio tegenover de rest van Angola maakt een dergelijke ontwikkeling bijzonder waarschijnlijk. De nationalisatie van de oliesector en de natuurlijke rijkdommen onder de democratische controle van de arbeiders en armen zou ertoe leiden dat de enorme rijkdom wordt ingezet om de bevolking uit de miserie en het geweld te halen. Er is nood aan arbeidersorganisaties in Cabinda en Angola, de arbeidersklasse is immers de enige kracht in de samenleving die een oplossing kan bieden voor de nationale kwestie en de sociale problemen van de massa’s.