Neoliberalisme door eigen aanhangers bankroet verklaard

Einde van een tijdperk

Toen de wereld in ’73-’74 in een diepe crisis werd gegooid – in België leidde dit onder meer tot het verdwijnen van 300.000 jobs in de industrie – werd na het verwerken van de eerste schok resoluut en wereldwijd gekozen voor een neoliberale politiek. Die politiek ging in tegen alles wat toen “normaal” werd gevonden, namelijk een uitgebouwde sociale zekerheid, een politiek van voltijdse (en dus volwaardige) jobs met degelijke lonen, het stimuleren van de koopkracht van de brede bevolking.

Anja Deschoemacker

Die nieuwe politiek ging de strijd aan met de zogenaamde te hoge lonen, de “dure en inefficiënte staat”, de sociale zekerheid die zogezegd geen vangnet meer was, maar een “val” die maakte dat werklozen niet meer wilden werken.

Vandaag heeft deze politiek – met de zich dagelijks verder ontwikkelende financiële crisis en de even snel aanstormende economische crisis – haar totaal failliet bewezen. Dat zeggen zelfs mensen die gisteren nog de grootste verdedigers waren van het neoliberalisme, die de Belgische regeringen verweten dat ze “niet ver genoeg gingen” (wat enkel zo was omdat ze bij elke verdere stap geconfronteerd werden met een sterke vakbondsbeweging). Mensen als Paul De Grauwe, die vandaag zijn vroegere dogma’s aan de kant zet en oproept tot de volledige nationalisering van de banksector.

Caroline Genez, voorzitster van de SP.a, en Elio Di Rupo, voorzitter van de PS, zeggen: “we hebben altijd gewaarschuwd dat…”. Wie van deze mensen de laatste 20 jaar een waarschuwing heeft gehoord dat deze politiek ons onvermijdelijk op een bepaald moment naar de dieperik zou sturen, mag zich komen melden, het liefst met bewijzen in de hand.

Deze partijen hebben tussen 1987 en 2007 onafgebroken gezeteld in regeringen die een privatiseringspolitiek voerden: de ASLK, die als buit in handen viel van Fortis, Sabena, Belgacom,… moesten er allen aan geloven. De reële lonen daalden in die periode – vandaag moeten in een gezin twee lonen binnenkomen om nog dezelfde levensstandaard te kunnen bereiken als vroeger met één loon – en wie van een uitkering moest leven, werd steeds verder in de absolute armoede gedrukt. De gezondheidsindex werd ingevoerd, “loonmatiging” was het enige wat men aan de onderhandelingstafels voor CAO’s nog te horen kreeg, de belastingen voor bedrijven daalden voortdurend, evenals de patronale bijdragen aan de sociale zekerheid, terwijl de brede bevolking steeds meer BTW moest ophoesten en aan levensstandaard moest inleveren.

De winsten stegen tot ongekende toppen maar de belofte dat die rijkdom naar beneden zou druppelen over ons allen, werd allesbehalve ingevuld. De geproduceerde rijkdom – geproduceerd door die grote meerderheid van mensen die werken voor een loon – verdween steeds meer rechtstreeks in de zakken van de kapitalisten en speculanten.

Nu is dat verhaal aan het einde van zijn latijn gekomen. Hoe kunnen we uit die crisis raken? Met de politiek van de huidige regering die wel miljarden investeert om het banksysteem te redden, maar anderzijds slechts peanuts over heeft voor werkenden en uitkeringsgerechtigden? Die ons weldra zal zeggen dat we “allemaal” de broekriem moeten toesnoeren, maar op geen enkel moment de winsten van gisteren zal opeisen om de sociale kost van vandaag te betalen?

We zullen in de komende jaren steeds duidelijker kunnen vaststellen dat het kapitalisme niet in staat is zijn crisis op te lossen, tenzij wij allemaal bereid zijn de prijs te betalen in de vorm van het verlies van wat ons – na een kwarteeuw neoliberalisme – nog rest van de welvaartstaat die onze ouders en grootouders met harde strijd aan de bazen hebben opgelegd. Wij zouden bereid moeten zijn om opnieuw de slachtoffers van de economie te worden, terwijl de rijken eens te meer nog rijker worden.

Een nieuwe arbeiderspartij is nodig, een “syndicale partij” in die zin dat het de syndicale eisen op het politieke terrein kan brengen en de arbeidersbeweging een eigen politieke stem kan geven, die de jobs en de inkomens van de meerderheid van de bevolking kan verdedigen door de strijd te voeren over wie de geproduceerde rijkdom rechtmatig kan opstrijken: de arbeidersklasse en dus de reële producenten en hun families, of de burgerij, wiens enige inbreng in de productie het kapitaal is, kapitaal die ze op de rug van vroegere generaties arbeiders hebben gebouwd.