Verandering in het Amerikaanse buitenlands beleid?

Onder brede lagen leeft de verwachting dat de volgende president van de Verenigde Staten een breuk in het Amerikaanse buitenlands beleid met zich mee zal brengen. Maar kan en zal Obama een ander buitenlandsbeleid voeren? En waarom niet?

Jonas (Gent)

Bush: gezicht van het VS-imperialisme

Het Amerikaanse buitenlandsbeleid werd onder Bush gekenmerkt door oorlogen en een agressieve houding van de Verenigde Staten. De VS traden zeer eenzijdig en oorlogszuchtig op. Dit leidde tot grote protesten. De oorlogen in Irak en Afghanistan werden geconfronteerd met heel wat weerstand, wereldwijd. Met Bush kreeg de term imperialisme voor velen zelfs een tastbaar gezicht.

Het zou echter fout zijn het buitenlands beleid van de Verenigde Staten terug te brengen tot een samenzwering van een kleine groep neoconservatieven, of zelfs tot één persoon. Het beleid van staten vindt haar oorsprong niet bij individuen, maar bij de belangen van de nationale elites van de naties in kwestie. De oorlogen in Irak en Afghanistan kwamen er niet door de individuele wil van een president die dacht een goddelijke missie te hebben; en daarmee de vrije markt en democratie moest verspreiden over het Midden-Oosten.

In eerdere artikels wezen we al op de objectieve noodzaak voor het Amerikaanse kapitalisme om de oorlog in Irak te voeren. In feite was de oorlog een gigantische overheidsinvestering om de Amerikaanse economie in crisis nieuw leven in te blazen of om die crisis tenminste uit te stellen. Zo zocht de wapenindustrie ook naar een manier om haar productie na de val van de Sovjetunie ergens kwijt te geraken. Daarnaast probeerde het Amerikaanse kapitaal in tijden van stijgende energieprijzen een betrouwbare leverancier van goedkope olie te verkrijgen. Op die manier zette men trouwens Rusland en China, opkomende concurrerende grootmachten die oliecontracten in Irak hadden, een hak. En uiteindelijk wilden de VS via de oorlog de wereld nogmaals tonen, dat zij de enige militaire supermacht waren.

Geen van deze doelen werd bereikt in Irak. Van een stabiel regime is in het post-Saddam tijdperk geen sprake. De mogelijkheid van de VS om op militaire wijze elders tussen te komen wordt nagenoeg onmogelijk gemaakt door de bezetting van Irak en Afghanistan. De afschrikkende status van de Amerikaanse macht is gesmolten als sneeuw voor de zon. En de olieprijs is tot ongekende hoogten gestegen.

Deze resultaten hebben ook binnen de Amerikaanse elite vertwijfeling doen ontstaan over het nut van de oorlogen; en de effectiviteit van de buitenlandse politiek die Bush voerde. Er is een verdeeldheid gegroeid tussen een deel dat heel duidelijk gewonnen heeft bij de oorlog – zoals de grote olieconcerns en militaire industrie – en een deel van de burgerij die met lede ogen moest aanzien hoe de reële economie in de VS verder ondergraven werd door enorme tekorten op de begroting en handelsbalans. Het geld dat aan de oorlog werd gegeven, kon immers niet gebruikt worden om bijvoorbeeld nog grotere lastenverlagingen toe te kennen aan een deel van de noodlijdende Amerikaanse industrie.

Democraten niet fundamenteel verschillend van Bush

Toch moeten we vaststellen dat het buitenlands beleid van Bush eigenlijk niet fundamenteel anders was dan dat van Bill Clinton. Ook de democraten voerden toen zij in het Witte Huis zaten een agressieve politiek tegen landen die ingingen tegen de VS belangen; denk maar aan de boycots tegenover Cuba en Irak, die miljoenen levens kostten. Ook op militair vlak waren de democraten geen lieverdjes. Onder de leiding van Clinton voerde de Navo bombardementen uit op Servië, en vielen Amerikaanse troepen Somalië binnen. De vraag rijst dus of het buitenlands beleid van de volgende Amerikaanse president anders zal zijn.

Obama biedt weinig perspectief op verandering. Hij sprak zich dan in 2002 wel uit tegen de oorlog in Irak; hoe dichter hij bij het presidentskamp kwam, hoe meer hij de algemene schema’s van het buitenlandsbeleid overnam. Zo gebruikte hij zeer agressieve taal ten aanzien Iran en bood hij ook Israël zijn steun aan. Bovendien is Obama’s vice-president John Biden sinds het begin steeds een voorstander geweest van de inval in Irak. Of er een ander buitenlands beleid komt hangt op zich dus niet veel af van wie president geworden is, maar eerder aan wat in de oorzaken zijn van die agressieve buitenlandse politiek, en hoe die evolueren.

Kapitalistische economie leidt tot oorlog

In laatste instantie wordt het buitenlands beleid van een staat altijd bepaald door de economische en strategische belangen van haar elite. Een andere factor is natuurlijk de internationale context en de krachtsverhoudingen tussen mogendheden waarbinnen die belangen spelen. Sinds de val van de Sovjetunie kenden we eerder een unipolair model. Dat wil zeggen dat de internationale politiek grotendeels gedomineerd werd door één supermacht waarbij alle andere machten dwergjes leken. De Verenigde Staten hadden in die zin nagenoeg vrij spel gekregen om haar belangen te gaan verdedigen.

Doorheen de laatste jaren zien we echter dat de macht van de Verenigde Staten aan het afkalven is, zo verminderen de gevoerde oorlogen haar militair potentieel, is de Amerikaanse economie in recessie gegaan en heeft haar ideologische vrije marktmodel enorme klappen gekregen. Als we naar de geschiedenis kijken dan zien we dat staten vooral agressief zijn als hun macht op zijn retour is. Het valt dus te verwachten dan de crisis van vandaag de agressieve houding van de VS in de wereldpolitiek alleen zal versterken.

De Amerikaanse elite zal door de omstandigheden verplicht zijn om haar crisis naar het buitenland te gaan exporteren, niet alleen om haar eigen privileges veilig te stellen, maar ook om binnenlandse revoltes tegen te gaan. Dit opent de deuren voor bijvoorbeeld protectionisme, waarbij men tolmuren zal opwerpen en de eigen economie te beschermen. Het gevolg hiervan is dat de industrieën in andere landen geen afzet meer zullen vinden en dus ook in verdere recessie komen. Het spreekt vanzelf dat dit soort economische politiek conflicten verder in de hand zal werken. Zo’n conflicten moeten in eerste instantie niet gezien worden als directe gewapende oorlogen tussen pakweg VS en China. In de plaats daarvan zullen handelsoorlogen worden uitgevochten die daarom niet minder slachtoffers zullen eisen. Die conflicten zullen ook meer en meer uiting vinden in regionale conflicten waar de grootmachten niet onmiddellijk direct elkaar staan. Zo is de oorlog in Georgië een uiting van een conflict tussen de VS en Rusland, en ook in Oost-Congo kunnen we sporen van een Chinees-Westers conflict ontwaren.

Multipolariteit biedt op zich geen oplossingen

Sommigen zien heil in de opkomende grootmachten zoals China om de Amerikaanse buitenlandse politiek van wederwoord te dienen. Zij gaan er in feite van uit dat een multipolair model meer stabiliteit en vrede zal brengen. Een multipolair model houdt in dat verschillende grote mogendheden – VS, China, Rusland, Brazilië – elkaar in evenwicht zouden houden, zoals dat het geval was in het Europa van de 19e eeuw. Toen verdeelden Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Groot-Brittannië en Rusland Europa in verschillende machtsblokken. Wanneer de ene zijn macht trachtte uit te breiden kreeg je coalities van de anderen om dat tegen gaan. De trend naar zo’n een multipolair model is onmiskenbaar. Maar de vraag reist of zo’n systeem "beter" zou zijn dan het huidige.

Fundamenteel verandert het immers niets aan de oorzaak van alle grote conflicten tussen staten in de afgelopen 200 jaar: het imperialisme. Het imperialisme werd door Lenin beschreven als het hoogste stadium van kapitalisme. Een stadium waar het kapitalisme binnen bepaalde grote staten volledig ontwikkeld was en binnen de grenzen van die staten geen uitbreiding meer kon kennen. In de zoektocht naar meer winsten en afzetmarkten maakten de mogendheden gebruik van hun regeringen om hun belangen in het buitenland te gaan verdedigen. Dit gebeurt soms via soft power, waarbij machtige staten via invloed, diplomatieke druk of zelfs chantage andere staten hun wil opleggen om bijvoorbeeld hun markten open te stellen. Vooral de Europese landen waren daar de laatste tijd kampioen in het toepassen van dit soort Soft Power. Een ander middel waarmee landen een imperialistisch beleid voeren, is via Hard Power: pure militaire macht en zware economische maatregelen. Voorbeelden hiervan waren uiteraard de Amerikaanse inval in Irak en de boycot van Cuba.

Zo’n multipolair model heeft in het verleden bewezen helemaal niet vredelievender te zijn dan een unipolair model. Integendeel; het multipolaire model leidde uiteindelijk in Europa tot de twee meest verwoestende oorlogen die de mensheid ooit meemaakte (WOI en WOII). Vooral in tijden van crisis, waar grootmachten de kapitalistische crisis op elkaar trachten af te schuiven, vormt zo’n systeem een kruitvat.

Onder het kapitalisme zal geen enkel buitenlands beleid de belangen van de meerderheid dienen. Dus ook onder Obama zal geen fundamentele verbetering mogelijk zijn. Zolang er in een land een kapitalistische elite bestaat, zal die van haar staat gebruik maken om haar belangen te gaan verdedigen. Wanneer de winstdrijfveer van bedrijven het buitenlands beleid bepaald zullen er steeds conflicten rijzen. Die kunnen gaan om de beschikbaarheid van grondstoffen, het veroveren van afzetmarkten tot zelfs het fysiek uitschakelen van hele industrieën die een concurrentiegevaar vormen. Nationale staten worden zo in feite meegezogen in het moordende liberale concurrentiemechanisme onder het kapitalisme. Voor de belangen van enkelen zullen daardoor steeds miljoenen sterven in nutteloze oorlogen en conflicten.