Theorie. Grondplan van Het Kapitaal I
We publiceren hieronder een Grondplan van Het Kapitaal. In deze brochure wordt een inleiding geboden op het lijvige boek ‘Het Kapitaal’ van Karl Marx. Althans op het Eerste Deel van dat boek. Het is een nuttige eerste kennismaking met Het Kapitaal en maakt de lectuur van die klassieker iets gemakkelijker.
Peter Van der Biest
Kameraden!
1.
Ik had beloofd om jullie vanavond te vergasten op enkele losse flarden, capita selecta, uit Het Kapitaal. Ik hoop dat ik daarmee geen valse verwachtingen heb gewekt. Aanvankelijk had ik wel degelijk het plan opgevat om de drie delen van Marx’ magnum opus te doorkruisen op zoek naar enkele vonken om de discussie aan te wakkeren.
Maar geleidelijk werd mij duidelijk dat ik daarmee de methode van Marx onrecht zou hebben aangedaan. Het wetenschappelijk socialisme stelt zich namelijk niet tevreden met het selectief (en – bij nader toezien – bevooroordeeld) uitpluizen van een voorwerp, om er slechts van te bewaren wat de onderzoeker handig uitkomt. Zulke werkwijze is de dialectiek volstrekt vreemd en behoort tot de sfeer van de burgerlijke kwaal die wij het eclecticisme noemen: het mechanisch opsplitsen van een leerstelsel of overtuiging – of van meerdere leerstelsels – en de overgehouden brokstukken even mechanisch bijeengraaien. Het enige wat daar kan uit voortkomen is niet een nieuw en hoger begrip, doch hoogstens het onstand-vastig heen en weer schommelen tussen verschillende, somtijds onverzoenlijke leerstelsels of ideologieën.
Het Kapitaal vormt de theoretische integraal van Karl Marx’ bijdrage tot de ontwikkeling van de mensheid. Alle aspecten van zijn leer klinken er in door. En dit niet in een schematisch lapwerk dat al deze aspecten los behandelt, doch als een levendige eenheid waarin zowel de filosofische, als economische en geschiedkundige denkbeelden werkelijkheidsgetrouw ineenvloeien. Daarom bewijs ik Marx de eerbied, en jullie de eerlijkheid, om de reikwijdte van mijn uiteenzetting te beperken. Liever de eenheid bewaren en mijn rondgang inkrimpen, dan de zaak volledig te overlopen, maar dan in een kunstmatige samenhang van willekeurige fragmenten.
Lenin merkt ergens op dat het onmogelijk is om Marx’ Kapitaal ten gronde te begrijpen, zonder eerst ook nog eens HegelsLogik achter de kiezen te hebben. Ik ga jullie geduld en welbevinden niet op de proef stellen door Lenins opmerking naar de letter te nemen en deze beide literaire Sisyphusbergen stapsgewijs ter vergelijking naast elkaar te leggen. Toch meen ik iets in de geest van Lenins aanmaning te bewaren, wanneer ik Engels’ kenschets van de wetenschappelijke dialectiek even toets aan de hoofdstructuur en de voortgang van Marx’ hoofdwerk.
‘Individualiteit, particulariteit, universaliteit – deze zijn de drie bepalingen waarin de hele Leer van het Concept1zich beweegt.2’
Anders verwoord: 1. het individu, of beginsel zoals het op zich zelf genomen bestaat; 2. de particulariteit of de veruitwendiging, omzetting van het beginsel in zijn verschillende manifestaties; 3. de hereniging van deze manifestaties in een nieuw hoger begrip dat het geheel overziet. Op Het Kapitaal toegepast geeft dat het volgende.
Het eerste deel – het enige waarvan het de schrijver gegund was om er de publicatie van te mogen meemaken – handelt over het productieproces van het kapitaal. Hier wordt het kapitaal in hoofdzaak beschouwd zoals het ontstaat in het productieproces van de moderne burgerlijke samenleving alsook in zijn weerslag op het bestaan van de mensen die het hebben voortgebracht: de arbeiders.
Het tweede deel spitst zich toe op het circulatieproces van het kapitaal. Hier staan de verschillende omzettingsvormen centraal die het doorloopt, zoals het zich in kringloopvorm door de samenleving beweegt.
Het derde deel bekijkt de organisatie van het proces in zijn geheel. Als zodanig is dit boekdeel volledig opgebouwd rond de drie grote onderdelen waarin de meerwaarde – het hoogste begrip uit de marxistische economie en het ultieme doeleinde van het gehele gebeuren voor de kapitaalbezitter – uiteenvalt: de nettowinst, de intrest en de grondrente.
Aan deze drie delen wou Marx nog een grote theoretische reprise toevoegen, die de geschiedenis van de theorieën over de meerwaarde ontvouwde en die in feite bestaat uit de schriftelijke neerslag die zijn navorsingen op dit terrein in de jaren 1850 hebben opgeleverd. Het tweede en derde deel werden door Friedrich Engels respectievelijk in 1884, een jaar na Marx’ dood, en in 1894, vlak voor Engels’ eigen dood bij de drukker afgeleverd. Karl Kautsky publiceerde dan in 1905 de Theorieën over de meerwaarde.
In deze voordracht wil ik mij beperken tot een overzicht van het eerste boekdeel. En wel om drie redenen. De omvang van Het Kapitaal alleen al rechtvaardigt deze beperking. Bovendien is niemand in staat geweest om de zaak zo inzichtelijk onder woorden te brengen als Marx zelf.
Ten tweede bevat het eerste boekdeel de sleutel tot al deze die erop volgen. De lezer – lezeres die zich aan Het Kapitaal waagt, zal ondervinden dat het meest van hem of haar wordt gevergd bij het doornemen van het eerste deel, maar dat het tweede en het derde constant déjà vu’s zal oproepen. De theorieën over de meerwaarde zijn dan al gesneden koek. Hoewel ook bijzonder lijvig (driemaal minstens vijfhonderd pagina’s) vormen ze één grote bekentenis van waar Marx de mosterd haalt – of op zijn minst de grondstof voor de mosterd. Een degelijke inleiding tot het eerste deel is meteen een inleiding tot het geheel.
Ten derde zou het voor ons en voor de arbeiders al een grote ideologische overwinning betekenen indien zij zich zouden kunnen losmaken van de burgerlijke dogma’s die hen dagelijks worden opgepropt met betrekking tot hun rol in de moderne samenleving. Men kan geen krant openslaan, geen televisiepost aanvinken of geen cafégesprek tussen kleine of grote zelfstandigen afluisteren, of men zou waarlijk in de overtuiging moeten komen dat ‘de arbeiders hun werkgevers eeuwig en altijd dankbaar zouden moeten zijn voor hun halfgoddelijke vrijgevigheid werkgelegenheid te creëren. Het Kapitaal I brouwt het beste tegengif tegen deze onzin. Het zijn de arbeiders die hun bazen rijk maken en zeker niet omgekeerd. Marx legt in het eerste deel van zijn meesterwerk uit hoe dat precies gebeurt en wel op een manier die Het Kapitaal tot het meest subversieve boek uit de geschiedenis heeft gemaakt – dat zullen zelfs de burgerlijke kwatongen moeten bekennen.
Ik ga voor de rest het geduld van de kameraden niet langer voor lief nemen en meteen de zaak bij de horens vatten.
2.
Nergens verliest Marx het maatschappelijke karakter van het kapitaal uit het oog. Dit verschijnt immers van meet af aan in de wereld als een sociale verhouding en niet louter als zgn. ‘opgestapelde arbeid’. Marx verengt het kapitaal ook niet – zoals de klassieke burgerlijke economen uit de eerste helft van de 19de eeuw dat pleegden te doen – tot louter ‘uitgestelde consumptie’; het kapitaal doet zich namelijk in de eerste analyse al niet meer alleen voor als een verzameling gebruikswaarden, doch meteen ook als een verzameling ruilwaarden.
Warenproductie en –omloop vormen de eerste historische voorwaarden voor zijn ontstaan. De koopwaar is de allereerste gedaante waarin het kapitalisme voor ons verschijnt:
‘De rijkdom van de maatschappijen waarin de kapitalistische productiewijze heerst, heeft de vorm van een kolossale opeen hoping van waren, waarvan de afzonderlijke waar de elementaire vorm is.’3
Karl Marx begint dan ook met een omstandige ontleding van de koopwaar in zijn hoofdkenmerken: de gebruikswaarde en de ruilwaarde. Op het eerste gezicht lijkt de ruilwaarde een relatie tussen dingen waaraan in de samenleving behoefte bestaat (de gebruikswaarde). X aantal schoenen gaan over de toog voor Y aantal lucifers. Maar bij nader toezien wisselen mensen gelijke hoeveelheden maatschappelijk noodzakelijke arbeid tegen elkaar uit. De ruilwaarde betekent dus in de grond een verhouding tussen mensen. De ruilwaarde is een productieverhouding uit de wareneconomie, een maatschappelijk verband waarin de mensen niet alles voor eigen verbruik voortbrengen, maar op zijn minst een deel ervan als ruilmiddel in de samenleving gooien.
Maar met een wareneconomie hebben we nog geen kapitaal. We hebben zelfs nog geen geldeconomie. Dus buigt Marx zich na zijn ontleding van de koopwaar over de oorsprong, de functies en de kenmerken van het geld. Als ‘gestolde’ ruilwaarde, als waar wier voornaamste gebruikswaarde de erin opgesloten ruilwaarde zelf is, ontstaat het geld in een samenleving waarin de warenruil zodanig opgehouden heeft een uitzondering te zijn, dat de behoefte aan een universeel ruilequivalent zich laat gevoelen. Hierin herkennen we natuurlijk de dialectische basiswet volgens dewelke kwantitatieve processen overslaan in een kwalitatieve sprong.
Marx onderkent drie aspecten, drie functies van het geld. Vooreerst dient het als waardemeter, als kwantitatieve maatstaf voor de ruilwaarde. Ten tweede geldt het als circulatiemiddel: het doet niet alleen waren in de samenleving rondgaan, het doet ook de ruilwaarde als zodanig rondgaan zonder dat deze de ‘stof’, één of andere heel welbepaalde gebruikswaarde als ondergrond nodig heeft. Ten derde en tenslotte is het geld als middel tot schatvorming, als betaalmiddel of als wereldgeld gewoon zichzelf: het geld als geld. Pas op de wereldmarkt, wanneer het geld zich gedraagt als wereldgeld, zegt Marx, ‘ontdoet het zich van de daar ontstane lokale vormen van prijsstandaard, munt, pasmunt en waardeteken en valt het weer terug in de oorspronkelijke, bare vorm van de edele metalen. In de wereldhandel ontplooien de waren hun waarde universeel.’ (p.87) Precies deze wereldhandel vormt de bakermat van het kapitaal. ‘De warencirculatie is het uitgangspunt van het kapitaal. Warenproductie en ontwikkelde warencirculatie, de handel, vormen de historische voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal.’ (p.91)
Marx ontwikkelt het productieproces van het kapitaal in deze logische volgorde:
1. Waar en geld – hebben we net bekeken; 2. De omzetting van geld in kapitaal; 3. De productie van absolute meerwaarde; 4. De productie van relatieve meerwaarde; 5. De productie van relatieve en absolute meerwaarde gezamenlijk bekeken; 6. Het arbeidsloon; 7. De accumulatie van kapitaal.
De algemene formule van de gewone warencirculatie is W – G – W (Waar-Geld-Waar), verkopen om te kopen, het einddoel van het gehele gebeuren is de gebruikswaarde. Het kapitaal echter circuleert als G – W – G: kopen om te verkopen met als einddoel de ruilwaarde. Waar volgens de eerste formule de arbeider gewoon zichzelf en de zijnen onderhoudt, doordat hij de voortgebrachte waren uitwisselt tegen andere benodigdheden – de ruilwaarden blijven in principe constant – wordt de tweede formule maar interessant wanneer de tweede G groter in omvang blijkt dan de eerste . De ruilwaarde die uit dit proces tevoorschijn komt, moet in de kringloop zijn aangegroeid en het verschil tussen beide noemt Marx de meerwaarde. Zoals we bij een vorige gelegenheid reeds stelden, kan deze aangroei niet toegeschreven worden aan het circulatieproces zelf. De meerwaarde wordt er alleen gerealiseerd, niet geschapen. Er moet dus iets gebeuren ‘achter de circulatie om, (iets) dat in de circulatie zelf onzichtbaar is.’ (p.106)
Het feit dat wij deze zaak reeds eerder hebben aangekaart, stelt mij nu in staat om slechts bondig in herhaling te treden. Het geheim van deze aangroei schuilt in het vermogen van de mens om met zijn arbeid een grotere ruilwaarde voort te brengen dan deze die vervat zit in de bestaansmiddelen nodig om zichzelf te onderhouden als arbeidskracht en zijn geslacht verder te zetten; in het feit dat de arbeider niet zozeer zijn arbeid, doch veeleer zijn arbeidskracht verkoopt. Want het kapitaal is maar waarlijk kapitaal in de verhouding tussen de arbeider en de bezitter van de productiemiddelen, als een ‘bevelende macht over de arbeid en haar producten’.4
Kapitalisme betekent de hoogste historische ontwikkelingsfase van warenproductie en –ruil. Het is de trap waarin de heersende sociale verhoudingen de arbeider dwingen om zelf op te treden als de verkoper van zijn arbeidskracht. Niet zijn volledige organisme, zoals onder de slavernij, geldt nu als koopwaar, doch zijn vermogen tot arbeiden. Daarmee zijn alle schakels betrokken bij de productie van waren, voor het eerst in de geschiedenis zelf tot koopwaar teruggebracht. Dus ook de uitbuiting van de arbeider zit nu vervat in een proces van warenruil en de meerarbeid die de kapitalist zich toeeigent, leidt thans eveneens een maatschappelijk bestaan als ruilwaarde. Meerproduct, arbeidsoverschot, wordt nu meerwaarde.
Het begrip meerwaarde splitst zich in twee aspecten: absolute en relatieve meerwaarde. Onder absolute meerwaarde verstaat Marx de meerwaarde zoals zij zich verhoudt tot de variabele lengte van de werkdag. Het komt er in elk geval voor de kapitalist op aan om de arbeider langer te doen werken dan nodig is om de ruilwaarden voort te brengen die deze laatste ontvangt in de vorm van zijn loon. Wat de arbeider daarboven presteert, drukt de kapitalist gratis en voor niks achterover. Maar jullie voelen me al aankomen. Het is voor de kapitalist een zaak van ‘goed management’ om dit stuk niet vergoede arbeid, de meerarbeid, zo lang mogelijk uit te rekken, door de lengte van de totale arbeidsdag te vergroten. In dat geval spreken we over een verhoogde uitbuiting door de absolute meerwaarde op te drijven. ‘Hoe ver kan de arbeidsdag worden verlengd boven de arbeidstijd welke noodzakelijk is voor de reproductie van de arbeidskracht zelve?’ – Daarmee vat Marx het onderliggende leidmotief achter de gehele derde afdeling van Kapitaal I samen (zie p.186).
In het begrip van de absolute meerwaarde verscheen de noodzakelijke arbeid – deze die de arbeidskracht reproduceert – als een constante grootheid tegenover een variabele lengte van de werkdag. Wanneer echter de noodzakelijke arbeid wordt ingekort doordat bijvoorbeeld de middelen tot het levensonderhoud van de arbeider in waarde dalen, dan schiet er binnen een constant gehouden werkdag meer achterover te drukken gratis arbeidstijd over. Hier wordt de meerwaarde als relatieve meerwaarde in ogenschouw genomen. ‘De door de verlenging van de arbeidsdag geproduceerde meerwaarde noem ik de absolute meerwaarde; de meerwaarde daarentegen, die voortvloeit uit de verkorting van de noodzakelijke arbeidstijd en de daarmee gepaard gaande wijziging in de kwantitatieve verhouding van beide bestanddelen noem ik de relatieve meerwaarde.’ (p.229)
Hoe verhouden absolute en relatieve meerwaarde zich nu tot elkaar?
De absolute meerwaarde, de verlenging van de arbeidsdag boven de waarde van de arbeidskracht, vormt volgens Karl Marx ‘de algemene basis van het kapitalistische systeem en het uitgangspunt van de productie van relatieve meerwaarde.’ (p.389) Zij maakt dus de oergedaante uit van de kapitalistische uitbuiting. De relatieve meerwaarde harerzijds ‘vooronderstelt een specifiek kapitalistische productiewijze, die met haar methoden, middelen en voorwaarden zelf pas op basis van de formele onderwerping van de arbeid aan het kapitaal natuurlijk ontstaat en wordt ontwikkeld.’ (ibidem) Vooronderstelt dus de kapitalistische uitbuiting de absolute meerwaarde, de relatieve meerwaarde vooronderstelt de kapitalistische uitbuiting en vormt er de ontplooiing van in de sociale omwenteling van de productiemethodes om de arbeidskracht goedkoper te maken ten overstaan van de gehele waardeafgifte binnen de werkdag. ‘Bij de productie van absolute meerwaarde gaat het alleen maar om de lengte van de arbeidsdag; de productie van relatieve meerwaarde revolutioneert geheel en al de technische arbeidsprocessen en de wijze waarop de maatschappij in groepen is verdeeld.’ (ibidem)
Bij een vorige gelegenheid5zagen we reeds dat de burgerlijke dagdieverij6 – om een zegswijze uit het Communistisch Manifest te gebruiken, berust op de begoocheling dat de arbeider vergoed wordt voor zijn arbeid, terwijl hij in feite zijn arbeidskracht afstaat in ruil voor het loon. Hij ontvangt geen wederdienst voor de gehele ruilwaarde die door zijn arbeid wordt gevormd, doch slechts een injectie voor het onderhoud van zijn vermogen tot arbeid, een injectie die bepaald wordt door de ruilwaarde van dit vermogen.
Is de vorming van meerwaarde het onmiddellijke doel van het productieproces, de eindeloze accumulatie van kapitaal maakt het voornaamste levensdoel uit van de kapitaalbezitter. ‘Accumuleer, accumuleer ! Dat is Mozes en de profeten !’ Niet de enkelvoudige reproductie streeft de kapitaalbezitter na, noch de toe-eigening van de meerwaarde voor volledige consumptie door zijn eigen persoon, maar de reproductie op grotere schaal. Het accumulatiegebeuren wordt door Marx toegelicht in de zevende en laatste afdeling van Het Kapitaal I.
Marx legt de algemene wet van de kapitaalsaccumulatie uit in drie logische fasen. Hij gaat uit van een bepaalde organische samenstelling van het kapitaal. Met organische samenstelling van het kapitaal bedoelt Marx een bepaalde verhouding tussen het constant kapitaal (machinerie, gebouwen, benodigdheden voor het onderhoud, wetenschappelijke procédés e.d.) enerzijds en het variabel kapitaal (het kapitaal dat wordt vrijgemaakt voor de arbeidslonen) anderzijds.
Zolang deze samenstelling naar verhouding ongewijzigd blijft, gaat de groei van het kapitaal gepaard met een toenemende vraag naar arbeid. De vraag naar arbeid kan groter worden, dus kan ook het loon toenemen:
‘Aangezien ieder jaar meer arbeiders in dienst worden genomen dan in het voorafgaande jaar, moet vroeg of laat het punt worden bereikt, waarop de accumulatiebehoeften beginnen uit te groeien boven het gewone aanbod van arbeid en de loonsstijging dus begint.’ (p.474)
Maar het feest blijft niet duren. De kapitalist gaat middelen zoeken om met minder arbeiders en dus met minder loonkosten, zijn productie verder uit te breiden. Hij gaat de samenstelling van het kapitaal wijzigen ten nadele van de arbeiders. In deze context duikt de machine op als concurrent voor de arbeider. De kapitalist laat het constante deel van het kapitaal toenemen ten overstaan van het variabele deel.
De relatieve daling van het variabele deel bij de voortgang der accumulatie maakt eveneens een natuurlijke bewegingswet uit van het kapitaal.
Met deze relatieve daling daalt ook de vraag naar arbeid. Een arbeidsreserve, of ‘industrieel reserveleger’ van werklozen wordt gevormd. Marx toont hier aan dat een stijgende werkloosheid niet eens het gevolg hoeft te zijn van een kapitalisme in crisis. Zij vormt een structureel kenmerk van de accumulatie.
Zo’n reserveleger komt heel goed van pas wanneer er nieuwe takken van bedrijvigheid worden opgericht. In feite heeft het kapitaal zelfs behoefte aan zo’n arbeidsreserveleger. Zonder zou het alleszins veel van zijn dynamisme verliezen.
‘Het kapitaal werkt (zodoende) van twee kanten tegelijk. Zo de accumulatie van kapitaal enerzijds de vraag naar arbeid doet toenemen, vergroot zij anderzijds het aanbod van arbeiders door hun “vrijmaking”, terwijl de druk van de werklozen tevens de werkende arbeiders dwingt meer arbeid te leveren, dus in zekere zin het aanbod van arbeid onafhankelijk maakt van het aanbod van arbeiders. De werking van de wet van vraag en aanbod op deze basis voltooit het despotisme van het kapitaal.’ (p.496)
Vandaar ook de nagenoeg onverzoenlijke vijandigheid bij de kapitalisten, wanneer de arbeiders dit spelletje in de mot krijgen en zich verenigen om deze wet, die zo ontredderend op hun leven inwerkt, van antwoord te dienen. Maar zolang de bewegingswet van het kapitaal vrij spel krijgt, geldt onveranderlijk de ware wet van de kapitaalsaccumulatie: opstapeling van rijkdom, welvaart en beschaving aan de ene kant van het spectrum, van armoede, verdierlijking, onwetendheid aan de andere zijde.
In het voorlaatste hoofdstuk handelt Marx over het ontstaan van de klassentegenstelling tussen arbeid en kapitaal. Eén versie daarvan, de burgerlijke, kent ook in onze tijd nog een taai leven: het gouvernante fabeltje dat deze oorsprong toeschrijft aan een kwistige, liederlijke en genotzieke levenswijze aan de kant van diegenen die hun arbeidskracht naderhand zijn moeten gaan aanbieden aan diegenen die hun fortuin vergaard zouden hebben langs een gedisciplineerde en spaarzame levenswandel.
De werkelijke geschiedenis van de zogenoemde oorspronkelijke accumulatie vertoont een merkelijk minder idyllisch verloop. Deze oorspronkelijke accumulatie behelst alle processen van niet-kapitalistische aard, die hebben bijgedragen tot de vorming van de vermogens die dan nadien als kapitaal konden worden ingezet. Ze behelst ook alle processen die ervoor hebben gezorgd dat een eerste aantal generaties arbeiders zich ontschorst zagen van hun eigen productiemiddelen, totdat zij nog slechts hun blote arbeidskracht in bezit hielden en dus geen andere kant meer opkonden dan deze te verkopen aan de kapitaalbezitters.
Hoewel hij zeker oog blijft hebben voor de internationale dimensie, beschrijft Marx deze processen voornamelijk zoals zij in Engeland hebben plaatsgegrepen, dit omdat in Engeland al deze overgangen van middeleeuwse vormen naar kapitalistische zich op de meest aanschouwelijke wijze hebben voltrokken.
Brutale onteigening van de gemeenschapsgronden vanaf de vijftiende eeuw – de enclosure beweging. Menigten boeren die van hun akkergronden werden verdreven om plaats te maken voor de commerciële schapenteelt. Wrede vervolging van de vrijgekomen boerenbevolking om ze tot loonarbeid te dwingen, dit vanaf de zestiende eeuw. De genesis van het proletariaat.
Ongenadige leegplundering en uitroeiing vanaf de zestiende eeuw van de nieuwe overzeese gebieden. De negerslavernij vanaf de zeventiende eeuw. Valse en meedogenloze handelspraktijken met Indië en de rest van Azië. Een eeuwenlange, zich over de gehele aardbol uitstrekkende roofoorlog tussen de grote handelsnaties. De oorsprong van het kapitaal.
Wordt het geld, zo zegt Marx, geboren met bloed op de wangen als natuurlijke geboortevlek, het kapitaal komt ter wereld druipend van vuil en bloed uit al zijn poriën.
Het laatste hoofdstuk, over de kolonisatietheorie, wijdt Marx niet alleen aan de hondse behandeling door de handelaars van de inheemse bevolking. Hij loopt er zowaar voorop op Lenins theorie van het imperialisme (1916). Volgens Lenin wordt de laatste en hoogste fase van het kapitalisme niet zozeer gekenschetst door alleen maar de uitvoer van waren, doch door de uitvoer, het internationale verkeer van kapitaal en dus ook van zijn sociale verhoudingen. Bij Marx lezen we:
‘Zoals het protectiestelsel in zijn oorsprong erop gericht was kapitalisten in het moederland voort te brengen, zo streeft de kolonisatietheorie van Wakefield … naar het voortbrengen van loonarbeiders in de koloniën.’ (p.597 – mijn cursief)
Maar de werkelijke ontknoping en historische strekking van het gehele kapitaalproces, die heeft Karl Marx al gegeven in het daaraan voorafgaande hoofdstuk:
‘Met het gestadig afnemend aantal kapitaalmagnaten, dat zich alle voordelen van dit omwentelingsproces toeeigent en deze monopoliseert, neemt de omvang van de ellende, de druk, de knechting, de ontaarding de uitbuiting, maar ook de woede van de steeds groeiende en door het mechanisme van het kapitalistische proces zelf geschoolde, verenigde en georganiseerde arbeidersklasse toe. Het kapitaalmonopolie wordt een kluister van de productie-wijze, die door en mét haar tot bloei is gekomen. De centralisatie en de vermaatschappelijking van de arbeid bereiken een punt, waarop zij onverenigbaar worden met hun kapitalistisch omhulsel. Dit omhulsel wordt verbrijzeld. Het laatste uur van het kapitalistische privaatbezit heeft geslagen. De onteigenaars worden onteigend.’ (p.595)
Deze mondvol bevat de logische bestemming van het hele proces: middels de concurrentie concentreert zich steeds meer kapitaal in steeds minder handen. Aan de andere kant van de samenleving stapelt zich steeds meer armoede, onbehagen, stress – Marx gebruikt het woord ‘druk’ – en verdierlijking op. Dat zijn de beide antithesen van de accumulatie.
Wat is dan de synthese? Niets anders dan de groeiende woede en afkeer van de mensen die het gehele proces zelf heeft voort-gebracht: de loonarbeiders, die bovendien ook nog eens geschoold zijn door het complexer wordende productieproces en door de in zwang zijnde communicatiemiddelen. Recente ervaringen op het veld zullen de kameraden wel overtuigd hebben van het feit dat dit geen al te voortvarende interpretaties zijn.
Als dit deel van Marx’ vooruitzichten de tand des tijd al heeft doorstaan, waarom zou dan het vervolg van zijn vooruitzicht per definitie uit de lucht gegrepen zijn? Ook de synthese, de woede en vijandigheid van de arbeiders zet kwantitatieve stappen vooruit, die op een bepaald ogenblik de gehele ordening kwalitatief laten overslaan. Deze omslag kan zich alleen maar in progressieve zin voltrekken op de manier die de laatste zin van Marx’ uitspraak in vervulling brengt: de onteigenaars worden onteigend.
Makkers!
Deze uiteenzetting kan niet anders dan een zware beproeving voor jullie geweest zijn. Toch durf ik erop hopen dat jullie mij met dezelfde belangstelling zullen vereren, wanneer ik er ooit toe kom om ook de andere volumes van Het Kapitaal in jullie bijzijn toe te lichten.
Voordracht gegeven voor de Aalsterse afdeling op 7 december 2005
Voetnoten
1. Het 3de deel van Hegels Logik en de feitelijke ‘handleiding’ voor de wetenschappelijke dialectiek.
2. Engels, Dialectics of Nature, Progress, Moskou, 1986, p.226
3. Marx, Het Kapitaal, dl.1, Lipschitsvertaling, W. De Haan, Bussum, 1972, p.1
4. Marx, Economisch-filosofische manuscripten – 1844, Progres, Moskou, 1987, p.29
5. Zie de voordracht over de arbeidswaardeleer en de meerwaarde.
6. ‘De bourgeoisie heeft onthuld hoe de brute krachtpatserij, die de reactie zozeer in de Middeleeuwen bewondert, haar passende tegenhanger vond in de traagste dagdieverij.’ K. Marx & F. Engels, Het Communistisch Manifest, Pegasus, Amsterdam, 1998, p.46