Verdwijnt de industrie uit ons land?

De afgelopen weken kreeg de tewerkstelling in de industrie enkele nieuwe zware klappen. Er werden collectieve afdankingen aangekondigd bij Bekaert (600 jobs), Laboratoires Thissen in Eigenbrakel (334 jobs), Crown Cork in Deurne (320 jobs), Alcatel-Lucent (185 jobs), Nokia-Siemens (127 jobs),… Intussen bouwt Van Hool een fabriek in Oost-Europa waardoor de tewerkstelling in Lier wordt bedreigd en ook bij ArcelorMittal blijft de dreiging om ook de koude fase van de staalproductie in het Luikse te stoppen.

De golf van afdankingen en de afbouw van de industriële productie leidt tot hernieuwde discussies over een ‘desindustrialisering’ van ons land en mogelijke antwoorden daarop. Voor het patronaat is het antwoord eenvoudig: de lonen naar beneden halen. Dat is de conclusie van een studie van econoom Geert Noels uit 2010. Een ander element is de roep naar de ondersteuning van innovatie. Tenslotte wil het patronaat verdere belastingverlagingen, en dit terwijl grote bedrijven nu al amper belastingen betalen.

De stelling dat ons land sneller dan de buurlanden desindustrialiseert, is niet correct. Statistieken van de OESO geven aan dat de daling van de industriële tewerkstelling tussen 2000 en 2010 in ons land -11% bedroeg tegenover -34% in het Verenigd Koninkrijk, -26% in de VS, – 22% in Nederland en -17% in Frankrijk. Enkel Duitsland deed het met -8% minder slecht. Professor De Grauwe concludeert: “België is een land waar die desindustrialisatie gedurende de laatste tien jaar minder ingrijpend is geweest dan in de meeste andere westerse landen. Geen paniek dus. We doen het nog niet zo slecht, ondanks onze hoge lonen. Of misschien is het dankzij de hoge lonen, die een reflectie zijn van de hoge productiviteit van de Belgische werknemer.”

Studies over de desindustrialisering geven aan dat de daling van de industriële tewerkstelling in ons land meer nog dan in de buurlanden in grote mate het resultaat is van de productiviteitsgroei, tussen 1985 en 1997 was er bijvoorbeeld een toename van de industriële productiviteit met 42,7%. Een toename van de productiviteit betekent dat met minder mensen meer kan worden geproduceerd. Een groot deel van de jobverliezen in de Belgische industrie is het resultaat van het feit dat we zo efficiënt werken. Kapitalistische logica is dat.

De productiviteitstijging vergt steeds grotere investeringen. Dat gebeurt niet indien de winstgevendheid niet is gegarandeerd. De afgelopen jaren werden snellere winsten geboekt op de financiële markten en werd amper in industriële productie geïnvesteerd, dat bracht immers niet voldoende op. Een deel van de productie trok naar de ‘groeilanden’, maar dat volstond niet om de terugval in investeringen in de ontwikkelde kapitalistische landen op te vangen.

Een volledige overschakeling van industrie naar een diensteneconomie is niet aan de orde: heel wat diensten zijn van de industrie afhankelijk, 80% van de export komt van de industrie,… Maar indien niet wordt geïnvesteerd in de industrie blijft deze wel verder afkalven.

Een syndicaal antwoord op de jobverliezen in de industrie moet vertrekken van het maatschappelijk belang van de industrie, zowel op vlak van productie als tewerkstelling. Zolang we de winstlogica aanvaarden, komen we niet verder dan stervensbegeleiding. De aanwezige kennis en mogelijkheden van de industrie moeten worden aangewend voor maatschappelijk nuttige productie onder de democratische controle en beheer van de arbeiders en de gemeenschap.