Gerechtsgebouwen. Overheid deelt geld uit aan private partners

Publiek-private samenwerking, zo heet het toverwoord van de neoliberale politici die infrastructuurwerken of bouwwerken willen doorvoeren. Er wordt ons gezegd dat dit ‘goedkoper’ is omdat de private partner een deel van de kosten draagt. In de praktijk betekent het dat de overheid met geld morst en op langere termijn veel meer betaalt. De Antwerpse en Gentse gerechtsgebouwen zijn daar voorbeelden van.

De Antwerpse en Gentse gerechtsgebouwen kostten een pak meer dan aanvankelijk gedacht. Het Antwerpse “vlinderpaleis” zou 180 miljoen euro kosten, zo werd ons verteld. Dat bedrag werd al opgetrokken tot 250 miljoen euro, maar uit een rapport van het Rekenhof blijkt nu dat de kostprijs 280 miljoen euro bedroeg. De raming van de kosten zat er dus 100 miljoen euro naast. Het Gentse gerechtsgebouw kostte 155 miljoen euro. Vooral in Antwerpen waren er problemen.

Dat zijn de bedragen voor de bouw, de kosten gaan echter verder dan dat. Er is rond het Antwerpse gerechtsgebouw een kluwen aan private bedrijven en financiële constructies opgezet waardoor de overheid niet alle kosten in één keer moet betalen, maar gespreid zal betalen. Klinkt interessant, behalve als er over details zoals de bedragen wordt gesproken.

De overheid bezit de grond waarop het Antwerpse justitiepaleis staat, maar de bouw gebeurde door een privaat bedrijf (de NV Justinvest). Door allerhande problemen ging de prijs snel de hoogte in. In de eerste raming was geen rekening gehouden met het feit dat er een inkomhal zou komen. De toegang tot het cellencomplex om gevangen binnen te brengen, was te laag voor de celwagens. En zo waren er nog tal van problemen die de kostprijs de hoogte injoegen. Er werd vanuit de overheid een privaat bedrijf opgezet, de NV Cofinimmo, dat het gebouw op een termijn van 27 jaar terugkoopt en gedurende 36 jaar verhuurt aan de overheid. Na die 36 jaar kan de overheid het bedrijf zelf opkopen voor 100 miljoen euro.

Een ingewikkelde constructie om te vermijden dat de overheid op één jaar tijd 280 miljoen euro moest betalen. Nu wordt jaarlijks gemiddeld 12,7 miljoen euro aan huurgelden betaald. Dat gebeurt 36 jaar waarna tot een aankoop kan worden overgegaan. Alles bij elkaar zal de overheid dus 457 miljoen euro huur betalen en nog eens 100 miljoen om het gebouw te kopen. De ware kostprijs is dus niet 280 miljoen, maar 557 miljoen euro of het dubbele. (*)

De regering Verhofstadt heeft in 2007 blindelings de kosten voor het project goedgekeurd, er werd niet eens gewacht op alle verantwoordingsstukken. De bouw moest snel gaan en de kostprijs deed er niet toe, dat werd doorgeschoven naar de toekomstige generaties die de komende 30 jaar met hun belastingsgeld zullen opdraaien voor het financiële morsbeleid van een overheid op zoek naar prestigeprojecten. De financiële operatie maakt meteen ook duidelijk dat operaties zoals sale-and-lease back of publiek-private samenwerkingen vooral dienen om bedrijven grote winsten te laten boeken op de kap van de gemeenschap.

Deze politiek wordt algemeen gevoerd. Tussen 2001 en 2006 verkocht de regering voor 1,5 miljard euro aan gebouwen die worden terug gehuurd voor 75 miljoen euro per jaar. Na 20 jaar doet de gemeenschap verlies en gaat de private sector met winsten lopen. Alle traditionele partijen werken mee aan deze zwendel die een grote transfer betekent van gemeenschapsmiddelen die aan de private sector worden gegeven.


Noot

(*) Dit is een versimpelde berekening die niet volledig klopt. Indien de regering in één keer 280 miljoen euro uitgeeft en daar geld voor leent, moet bijvoorbeeld ook interest worden afbetaald. Er moet rekening worden gehouden met rentevoeten, inflatieverwachtingen,… De aangegeven cijfers dienen enkel om een beeld te scheppen van de grootte-orde waarvan sprake.