Opmerkingen over het Interprofessioneel Akkoord
De afgelopen dagen sloten de sociale partners een nieuw sociaal akkoord voor de periode 2007-2008. Daarin wordt onder meer bepaald dat de lonen de komende twee jaar met zo’n 5% mogen stijgen. Maar er staat nog heel wat meer in het ontwerp. Wij hebben een aantal bedenkingen bij de tekst.
Eerst en vooral hebben we een probleem met het uitgangspunt van de tekst. Er wordt uitdrukkelijk bepaald dat deze tekst een verderzetting is van eerdere akkoorden om de concurrentiële positie van de economie te versterken. Daarbij wordt verwezen naar de aanpassing van de index in januari (waardoor de koopkracht werd ondermijnd), de competitiviteitverklaring in maart en het septemberakkoord over onder meer lastenverlagingen op ploegenarbeid en overuren.
Die drie akkoorden vormden geen stap vooruit voor de arbeiders en hun gezinnen. De aanpassing van de index was een poging om een snelle stijging van de index tegen te gaan en aldus te vermijden dat de lonen zouden stijgen. Nochtans stegen de prijzen wel. Er was dus een aantasting van de koopkracht.
De competitiviteitverklaring in maart stelde dat de sociale partners er alles aan zouden doen om de Belgische economie concurrentieel te houden tegenover de buurlanden. Dat werd herhaald in de septemberverklaring waar het aan concrete maatregelen werd gekoppeld: lastenverlagingen op ploegenarbeid en overuren. Extra cadeaus aan het patronaat dus.
In het Interprofessioneel Akkoord (IPA) wordt verder gegaan op dat elan. Er wordt een indicatieve loonnorm van 5% voorgesteld, maar dan wel op voorwaarde dat de overheid met lastenverlagingen een deel daarvan voor haar rekening neemt. Dat betekent dus minder inkomsten voor de gemeenschap door een transfer van middelen die normaal naar de overheid zouden gaan naar het patronaat.
Eerder stelden we reeds dat een loonnorm van 5% beperkt is. (lees meer). Dat kan een discussiepunt zijn bij de basis van de vakbonden. Maar er zijn nog een paar punten waarover we ernstige bedenkingen hebben.
Opvallend is dat het IPA voorstelt om in de sectoren akkoorden te sluiten met een “correctiemechanisme” op de index. Er wordt een aanbeveling gedaan om de toepassing van All-in en Saldi-akkoorden te veralgemenen in de verschillende sectoren. Daarmee haalt het patronaat het met haar vraag om de index geleidelijk aan te ondermijnen via de sectoren. In een volgende fase kan bijvoorbeeld een strengere versie voorgesteld worden van die “correctiemechanismen”. In de bouwsector betekende dat concreet reeds dat een aantal indexaanpassingen niet werden toegepast omdat deze ertoe zouden leiden dat er boven de loonnorm zou gegaan worden.
Een ander opvallend element in het IPA is een versterking van de fiscale voordelen voor overuren. In het septemberakkoord werd reeds bepaald dat er minder lasten zouden geheven worden op overuren, “zonder dat overuren goedkoper mogen worden dan normale uren”. Dat principe wordt verder versterkt. Ook andere elementen die de flexibiliteit goedkoper moeten maken, worden vergemakkelijkt. Zo wordt het eenvoudiger om een flexibele arbeidsregeling (met een arbeidsduur op jaarbasis) in te voeren. Deze punten zetten de deur open om nadien te discussiëren over de arbeidsduur op zich, zonder al te hard te raken aan symbolische grenzen zoals de 38-urenweek of de 8-urendag. Met een arbeidsduur op jaarbasis wordt het concept van overuren bovendien verder ondermijnd, en daarmee uiteraard eveneens het concept van overloon.
Op het vlak van de verloning, stelt het IPA dat er meer inspanningen moeten gedaan worden om deelnames in de winst als loononderdeel te stimuleren. De sociale partners stellen vast dat op dit punt de bestaande mogelijkheden amper benut worden en zullen voorstellen lanceren om tot een aantrekkelijker regeling te komen van werknemersparticipatie en winstdeling. Ons lijkt dat absoluut geen prioriteit, het maakt het loon immers afhankelijk van de bedrijfsresultaten. Tegenover de enorme winsten die op dit ogenblik geboekt worden, is er nood aan een ernstige loonsstijging voor alle werknemers en geen specifieke maatregelen afhankelijk van de bedrijfsresultaten voor enkele werknemers.
Een positief punt is dat de discussie over de toenadering tussen de statuten van werklieden en bedienden zal worden aangegaan. De bedoeling daarbij moet duidelijk zijn: een versterking van de sociale verworvenheden om van beide statuten de beste elementen samen te brengen. Wij zijn voorstander van een eengemaakt statuut voor werklieden en bedienden, maar dan wel op voorwaarde dat de bedienden geen stappen achteruit moeten zetten (bijvoorbeeld op het vlak van ontslagvergoedingen). Alleen moeten we natuurlijk wel vaststellen dat er intussen geen stap vooruit gezet is in deze kwestie, er zal over onderhandeld worden…
Ook positief is de aanpassing van het interprofessioneel minimumloon bovenop de indexering. Deze aanpassing werd wel eens tijd en we moeten ons de vraag stellen of het niet beter zou zijn om de indicatieve loonnorm sowieso ook toe te passen op dit minimumloon. Een aanpassing met twee keer 25 euro op twee jaar tijd, zal de opgelopen achterstand sinds 1993 immers amper goedmaken.
Inzake de uitvoeringsmaatregelen van het Generatiepact, stellen we ons de vraag waarom de vakbondsleiding heeft aanvaard dat dit deel uitmaakt van het IPA. Het Generatiepact werd opgelegd vanuit de regering en de basis voerde er wekenlang actie tegen. Nu wordt het Generatiepact opnieuw bovengehaald en moeten de vakbonden mee bepalen hoe de maatregelen worden ingevuld. We begrijpen echter niet waarom de vakbondsleidingen bijvoorbeeld akkoord gaan met het uitbreiden van de uitstelmogelijkheid voor tijdskrediet voor oudere werknemers of een beperking van een uitkering bij voltijds tijdskrediet voor bepaalde categorieën tot 1 jaar.
Rond de belangrijkste knelpunten (gelijkgestelde dagen voor toegang tot brugpensioen en de zware beroepen) is geen fundamentele vooruitgang geboekt. In de praktijk wordt het heel moeilijk om na een loopbaan met deeltijdse arbeid nog toegang te hebben tot brugpensioen. Rond de zware beroepen is er een beperkte stap vooruit gezet, maar niet voldoende en zeker niet in overeenstemming met wat naar voor werd gebracht tijdens de beweging tegen het Generatiepact.
Dit IPA zal tot discussie leiden. De tekst is wellicht voor velen niet gemakkelijk leesbaar en te technisch. Toch is een discussie onder bredere lagen van de vakbondsleden nodig. We hopen dat de leiding van beide grote vakbonden een overzichtelijk en begrijpbaar rapport zal opmaken met de voorstellen in het IPA en hierover de discussie zal aangaan op regionale algemene vergaderingen waar kan meebeslist worden over het al dan niet goedkeuren van dit IPA.