Libië en Syrië: revolutie moet door bevolking zelf worden gerealiseerd
Verslagen vanop de zomerschool van het CWI
Op de internationale zomerschool van het CWI werd dit jaar veel gesproken over de revolutionaire bewegingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daarbij was er een specifieke discussie over de situatie in Libië en Syrië, twee landen waar bewegingen zijn ontstaan in navolging van andere landen in de regio maar tevens twee landen waar deze beweging met heel wat beperkingen wordt geconfronteerd. We brengen verslag uit van de commissie over Libië en Syrië.
Wij hebben het doorgaans niet over de ‘Arabische Lente’ omdat er geen eenduidige Arabische bevolking is in de landen waar acties worden ondernomen. Zo zien we vandaag ook acties in Israël die nauw verbonden zijn met de opstanden in de regio. Ook is er een Berberse bevolking of zijn er andere bevolkingsgroepen die zichzelf niet als Arabisch beschouwen. Het gaat om een regionale beweging van opstanden.
In enkele gevallen brachten deze spontane bewegingen van de arbeidersklasse dictatoriale regimes ten val, maar in andere landen gaat het gevecht nog door. In dit verslag willen we graag analyseren hoe het verder moet in deze landen en hoe we best kunnen interveniëren om deze revolutionaire bewegingen te doen slagen.
In Lybië en Syrië kwamen de arbeiders en jongeren op straat in luid protest tegen hun respectievelijk regimes, maar tot nu toe hebben de regeringen stand gehouden. De situatie is natuurlijk niet dezelfde als in Tunesië of Egypte.
Om te beginnen hadden zowel Kadhafi als Assad een sterkere voet aan de grond in de maatschappij. Door de rijkdom aan olie in Libië was het mogelijk om de bevolking, hoewel ze grotendeels werkloos en arm was, een iets betere levensstandaard te geven dan in de omliggende landen. Daarenboven verscholen zowel Khadafi als Assad zich achter de angst voor imperialistische interventie.
In Libië is er nu reeds vijf maanden een burgeroorlog aan de gang, en al vier maanden wordt het land bestookt door luchtaanvallen van de NAVO. De laatste weken zijn er wel enkele overwinningen geboekt in de bergen, waar een derde van de bevolking van Berberse afkomst is en met zware repressie te kampen heeft.
De NAVO heeftal meer dan 6000 bombardementen uitgevoerd, waarbij sprake was van ‘collateral damage’ (d.w.z: burgerslachtoffers). Ma ar toch kunnen ze niet de overhand over de troepen van Khadafi krijgen.
De Westerse machten die oorlog voeren in Libië, zijn uiteraard uit op de rijkdommen die het land te bieden heeft; namelijk de olie- en gasvoorraden. Tevens is de oorlog ook een prestigeproject, ter bevestiging van de Westerse macht.
Niettemin willen ze ten alle kosten een tweede, analoge oorlogssituatie zoals die in Irak, waar ze nog jaren aan vast hangen en waar veel protest tegen ontstaat, vermijden. Dus houden ze het op troepen in de lucht. Zelfs de VS wil niet al teveel betrokken raken, maar enkel een ondersteunende rol spelen.
De opstandige bevolkingstroepen hebben maar weinig wapens, uitrusting en training en hun leiderschap is verdeeld. Het imperialisme heeft door het bewapenen van delen van de rebellen een grote ideologische invloed. Dat wordt gebruikt om de ontwikkeling van een onafhankelijke arbeidersbeweging op basis van een links programma de kop in te drukken. Het doel is om de beweging een doodsteek te geven door een onafhankelijke positie van de arbeiders en de jongeren te ondermijnen. Dat was nochtans de sleutel voor de bewegingen in Egypte en Tunesië. Maar het verdedigen van de belangen van de arbeiders en de armen staat uiteraard niet op de agenda van de NAVO.
Ondertussen worden er steeds hevigere misdrijven gepleegd door de troepen van Kadhafi, zoals de beruchte massale bestelling van viagra om zijn soldaten aan te zetten tot het gebruik van verkrachting als oorlogswapen. Zoals blijkt uit recente uitspraken van westerse politici, is het van in het begin allesbehalve de bedoeling geweest om van de Libische opstand een succesvolle revolutie te helpen maken door hun interventie. Er is zelfs al sprake om ’toe te staan Kadhafi in Libië te laten blijven’.
Veel mensen zijn van mening dat een interventie een goede zaak is, aangezien er iets moest gedaan worden aan het brutale regime van Kadhafi. Maar de voorbeelden uit de buurlanden Egypte en Tunesië leren dat massale opstand van de bevolking met een duidelijk doel en duidelijke eisen het verschil kan maken.
Velen stellen zich vragen bij het feit waarom er in Syrië, waar de opstand eveneens bloedig onderdrukt wordt, geen buitenlandse interventie is. De Westerse machten hebben hun handen al vol met de oorlogen in Afghanistan en Libië, maar dat is niet het enige dat hen ervan weerhoudt om een oorlog tegen het Syrische regime te beginnen. In Syrië is er de kans van het ontketenen van een regionale oorlog door haar geopolitieke ligging en interne samenstelling (met mogelijke etnische en religieuze spanningen).
Voor de Westerse machten gaat het echter niet om het beëindigen van dictaturen in de regio. Dat verklaart de zwakke positie van de VN tegenover Syrië. Eerder verklaarde Hillary Clinton zelfs dat president Assad “niet helemaal overbodig is”. De repressie van het leger is brutaal en de middelen van de bevolking zijn beperkt. Toch gaat de beweging voort. De woede groeit en de betogingen bereiken ook steeds meer de grote steden.
Op 3 juni werden zeventig betogers vermoord door het leger. Het regime probeert alle mogelijke tactieken om alsnog de orde te herstellen: het leger inzetten, laten terugtrekken, weer inzetten, de elektriciteit afsluiten, en zelfs het ontslaan van de gouverneur van een van de steden. Het protest laat zich echter niet stoppen: barricades worden opgezet, ondanks de massale moorden en arrestaties van deelnemende actievoerders. Het is moeilijk om er cijfers op teplakken, maar wellicht zijn er 10.000 arrestaties. De omvang van de repressie is groot.
De betogers in Syrië eisen niet alleen voor meer democratie en een einde aan de brutaliteiten, maar ook de volledige omverwerping van de regering. De leiders van de protesten weigeren in te gaan op de vraag van het regime om te onderhandelen; dit wijst erop dat ze, naast het feit dat ze geen enkele concessie zullen doen, zich bewust zijn van het gevaar om de regeringstroepen de tijd te geven om een manoeuvre uit te voeren.
Alle lagen van de Syrische bevolking zijn betrokken in de huidige protesten, niet alleen van verschillende religieuze maar ook van etnische afkomst. Slogans als "Syrië is één" zijn niet vreemd. Ongeveer 75% van de Syriërs staan op een of andere manier positief tegenover de opstand, tegenover slechts 10% van regeringsgetrouwen die vooral bestaan uit topfunctionarissen en officieren met een kapitalistische positie.
De massademonstraties van de voorbije maanden zijn vreedzaam verlopen en niet sectair, hoewel Assad en zijn aanhangers verwoede pogingen doen om de betogers te verdelen op basis van religieuze of etnische verschillen. Daartoe passen ze verschillende tactieken toe. Zo zetten ze in gemengde wijken bepaalde etnische groepen uit hun huizen om de verschillen terug op de voorgrond te zetten en het etnische conflict op te hitsen; een schoolvoorbeeld van de traditionele verdeel en heers tactiek.
Assad probeert ook via toegevingen de woede te bedaren en zijn positie te redden, zoals onder andere de belofte meer democratie toe te staan. Juist die belofte wordt nochtans nergens geloofd. Zeker na de voorbeelden in Egypte en Tunesië zullen de opstandelingen niet snel geneigd zijn om hun pogingen om het regime te doen vallen, op te geven.
Tot zover is er nog geen sprake van grootschalige desertie van soldaten en lage officieren, maar bij de noordelijke grens zijn er onlangs wel 120 soldaten door hun officieren omgebracht omdat ze weigerden te schieten op de betogers.
Het is belangrijk dat de revolte wordt omgevormd en uitgebouwd in een revolutie. Daarbij moeten de gewone soldaten en agenten op basis van een klassenbenadering naar de kant van de bevolking worden overgewonnen. Het feit dat er reeds zo’n gevallen zijn, wijst op een zeker klassenbewustzijn. Het kan bovendien de mogelijkheid van een militaire staatsgreep ondermijnen.
Het omverwerpen van de dictatoriale regimes is een noodzakelijke, maar om een democratisch systeem in de plaats te stellen dat georganiseerd wordt vanuit de basis van de bevolking, de arbeiders, zal er meer nodig zijn. De onzekerheid over hoe het verder moet na de val van de regimes van Assad en Kadhafi en de angst voor een degeneratie of een buitenlandse machtsovername, die geen werkelijke verbetering zou zijn, zorgen ervoor dat de opstanden niet de steun genieten die nodig is om de dictators werkelijk de das om te doen.
De voorbeelden van hoe bijvoorbeeld het leger de macht in handen heeft genomen/gehouden in Egypte, doet angst ontstaan over de omverwerping van dictators die onder sommige lagen van de bevolking nog steun genieten. Zoals eerder gezegd, is dit meer het geval in Syrië en Libië door het beleid van nationalisering en de rijkdommen die voor een zekere ‘welvaart’ zorgden en de wijze waarop de dictators in deze landen bepaalde bevolkingsgroepen (stammen of religieuze groepen) hebben voorgetrokken tegenover andere.
Momenteel heersen onzekerheid en twijfel over het alternatief op de dictaturen. Er is nood aan een linkse formatie met de ideeën en organisatie in de arbeidersklasse om de onzekerheid weg te nemen. Een dergelijke formatie zou de arbeiders van Libië en Syrië (en alle andere landen in opstand) de nodige zekerheid kunnen geven om een einde te maken aan de onderdrukking van gelijk welke dictatuur, en een democratische socialistische arbeidersstaat daarvoor in de plaats te stellen.