Jaren 1930: lessen voor vandaag

Voor het boek ‘1932: mijnwerkers in opstand’ schreef Geert Cool een inleiding waarin de context van de beweging wordt geschetst, naast een stuk over de rol van de trotskisten en de lessen die vandaag kunnen getrokken worden. We publiceren deze inleiding in drie delen, vandaag het derde deel.

Je kan het boek hier bestellen

Een boek over de mijnwerkersstaking van 1932 is niet alleen nuttig om een vollediger beeld te krijgen van de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Die geschiedenis biedt ook lessen voor de strijd vandaag.

Zo is een eerste belangrijke vaststelling dat een politiek programma op basis van een analyse van het kapitalisme geen overbodige luxe is. Sommigen denken misschien al gauw dat lange analyses saai zijn of dat werkenden zichzelf niet moeten scholen om een inzicht te hebben in hoe het kapitalisme functioneert. Ze vergissen zich: analyses en inzichten zijn nodig om voorstellen en alternatieven te kunnen formuleren en uitwerken. Het gebrek aan antwoord op de kapitalistische crisis tijdens de Grote Depressie liet de arbeidersbeweging grotendeels onbewapend achter tegenover een agressieve patronale politiek. De levensstandaard nam af, de ellende nam toe. En waar waren de vakbonden en de socialistische partij? Nergens! Of toch bijna nergens. Ze wisten helemaal niet hoe ze met die crisis moesten omgegaan en kwamen niet verder dan de scherpste kantjes van het gevoerde beleid wat af te zwakken. Loonsverlagingen en aanvallen op de werkende klasse werden in de praktijk aanvaard.

Het aanvaarden van de logica van het kapitalisme ondermijnt uiteraard de strijd tegen het systeem. Op een ogenblik dat opkomen voor een betere levensstandaard, of zelfs het behoud ervan, botst met het kapitalistisch systeem, is een socialistisch perspectief nodig. Voor de sociaaldemocratische BWP en de vakbonden was een socialistische samenleving een na te streven doelstelling voor een verre toekomst. Het verband tussen die toekomstige samenleving en de situatie in het hier en nu, werd in de verste verten niet gezien. Het resultaat was een erg makke oppositie tegen de rechtse regering die de gevolgen van de crisis op de werkende klasse afschoof. De BWP wilde niet dat de regering viel en zijzelf mogelijk tot regeringsdeelname zou geroepen worden. Voor de BWP stond regeringsdeelname gelijk aan verantwoordelijkheid nemen voor een verderzetting van hetzelfde beleid. De partij had er geen idee van hoe een andere koers er kon uitzien. Het gebrek aan alternatief betekende ook dat de vakbonden op zoek gingen naar een verdeling van de tekorten, in plaats van publieke controle en bezit van de productiemiddelen te eisen. Zoals hoger vermeld waren er syndicale oproepen om vrouwen of migranten uit het productieproces te halen. Vandaag zou zoiets uiteraard niet meer aanvaard worden, maar het overnemen van de logica van het kapitalisme betekent ook nu dat jobverlies en aanvallen maar al te vaak passeren zonder ernstige strijd ertegen.

De staking van 1932 leert ons ook dat de werkende klasse niet noodzakelijk blijft wachten tot de leiding van de arbeidersbeweging de strijd begint te organiseren. Als die leiding door het gebrek aan politiek perspectief en alternatief ter plaatse blijft trappelen en zichzelf zo eigenlijk irrelevant maakt, wordt ze wel eens voorbijgestoken door de werkende klasse zelf. De Grote Depressie en de gevolgen ervan op de levensstandaard van de arbeiders en hun gezinnen, hadden aanvankelijk een verlammend effect. Iedereen wachtte bang af, maar de onderhuidse woede bouwde zich op. Eens die woede collectief tot uitbarsten kwam, ging het om een explosieve beweging. De werkende bevolking legde een enorme graad van zelforganisatie en bijhorende creativiteit aan de dag. Instinctief werd bovendien gebouwd aan een zo sterk mogelijke eenheid op basis van betrokkenheid. Vrouwen speelden een vooraanstaande rol in de strijd. “Ce que femme veut, dieu le veut,” was één van de slogans die vaak meegedragen werd. Ook de eenheid met arbeiders die als migrant naar ons land waren gekomen, bouwde zich van onderuit op. Later zou dat verzet tegen racisme samengevat worden in de slogan “In de mijn is iedereen zwart.” Het overslaan van de staking naar andere delen van het land, inclusief de Limburgse mijnen, was eveneens belangrijk om verdeeldheid op communautaire basis te bestrijden.

De mijnwerkers en andere arbeiders wisten dat ze hun strijd slechts konden winnen door samen te staken en een krachtsverhouding uit te bouwen. Het uitbreiden van een strijd gebeurt niet mechanisch: de KPB was weinig succesvol in de pogingen daartoe. Op het juiste ogenblik die ordewoorden lanceren die ingang vinden onder bredere lagen, is essentieel. Ook dat gebeurt efficiënter op basis van een zo groot mogelijke betrokkenheid. Open algemene vergaderingen en stakerscomités waren daarvoor essentieel. Het maakte collectieve discussie mogelijk en het zorgde ervoor dat de deelnemers aan de strijd niet alleen mee beslisten over het verdere verloop van de beweging, maar er ook zelf controle op begonnen uit te oefenen. Vandaag kunnen personeelsvergaderingen ter voorbereiding, organisatie en verderzetting van stakingsacties een zelfde rol spelen. Het gaat om bredere betrokkenheid, maar ook om controle op de eigen strijd. Het belang daarvan werd in 1932 aangetoond: de beweging ontsnapte aanvankelijk aan de controle van de vakbondsleiding, die er daarna alles aan deed om de controle opnieuw te verwerven. Niet om de beweging uit te breiden en het potentieel te benutten om tot maatschappijverandering te komen, maar wel om de strijd zo snel mogelijk te stoppen met een rot compromis.

De mijnwerkersstaking van 1932 en de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging in het algemeen tonen de immense potentiële kracht van de arbeidersklasse. Hier zien we de kracht in de samenleving die maatschappijverandering kan bewerkstelligen. De eisen van de arbeidersbeweging botsen met kapitalisme, een programma van socialistische maatschappijverandering dringt zich op en versterkt de strijd rond dagelijkse eisen zoals hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden.