Jaren 1930: arbeidersstrijd in een context van grote depressie
Voor het boek ‘1932: mijnwerkers in opstand’ schreef Geert Cool een inleiding waarin de context van de beweging wordt geschetst, naast een stuk over de rol van de trotskisten en de lessen die vandaag kunnen getrokken worden. We publiceren deze inleiding in drie delen, vandaag het eerste deel.


Na de Eerste Wereldoorlog had de groeiende vraag naar steenkool en de plundering van Congo, aangevuld met sociale maatregelen afgedwongen door een arbeidersbeweging die versterkt uit de oorlog kwam, ervoor gezorgd dat de economie er bovenop kwam. Tegen 1924 werd een volledige tewerkstelling bereikt, tegen 1925 stond de economie opnieuw op het niveau van 1914.
De elementen die meespeelden in de ontwikkeling van de Grote Depressie – onderliggende instabiliteit van het kapitalisme door een daling van de winstvoet, verliezen en schulden als gevolg van de oorlog, ontwrichting van de wereldhandel, interimperialistische spanningen, speculatie … – hadden ook in België een impact. In dit exportland bij uitstek zette de dalende wereldhandel druk op de economie. In 1929 stagneerde de productie, vanaf midden 1930 was er een krimp en sloeg de recessie toe. Maatregelen in naburige landen gericht op het ondersteunen van de eigen economie duwden de Belgische economie nog verder naar beneden.
De sociale gevolgen waren rampzalig. Tegen 1932 was ongeveer 1 op de 3 Belgen volledig of deels werkloos. Tegen 1932 was tot 40% van de mijnwerkers minstens één of twee dagen per week economisch werkloos. Tegelijk stegen de prijzen voor huisvesting bijzonder snel, waardoor het aandeel van de huur in de gezinsuitgaven fors toenam. Maatregelen zoals extra belastingen op import van bijvoorbeeld bloem zorgden dan weer voor prijsstijgingen van basisproducten als brood.
De sociaaldemocratische BWP (Belgische Werkliedenpartij) zag de recessie als een tijdelijk onevenwicht tussen productie en verbruik, een periode die de arbeidersbeweging moest uitzitten. Zo schreef het Luikse BWP-parlementslid Dejardin in augustus 1930: “De arbeidersklasse moet zich voorbereiden op een zeer moeilijke periode, waarin zij loonverminderingen zal moeten ondergaan. Het ordewoord van de arbeiders moet zijn: voorzichtigheid, bedachtzaamheid en versterking van de syndicale organisatie. Vooral niet vergeten dat in tijden van crisis stakingen, en zeker spontane bewegingen, gevaarlijker zijn voor de arbeidersklasse dan voor de kapitalistenklasse.”
De BWP zag de regering liever niet vallen, de partij was bang om zelf aan een onpopulaire regering te moeten deelnemen. Ook de vakbondsleiders deelden de oproepen tot voorzichtigheid. Ze hadden geen antwoord op de crisis. De leiding van de BWP (en dus ook van de Syndicale Commissie, de voorloper van het ABVV) was volledig meegezogen in de logica van het kapitalisme. Dat ging overigens erg ver: onder Anseele kocht de Bank van de Arbeid een katoenplantage in Congo om als coöperatieve concurrentieel te zijn met andere banken. Het zou niet baten: enkele jaren later ging de Bank van de Arbeid toch kopje onder.
Het antwoord van de burgerij op de crisis was een beleid dat de kosten van de bazen drukte door onder meer loondalingen op te leggen. Tegelijk werden de indirecte belastingen verhoogd om de stijgende overheidsuitgaven (onder meer voor werkloosheidsuitkeringen) op te vangen. De BWP en de vakbonden beperkten hun politieke antwoord vooral tot verzet tegen de conservatieve campagne voor aanvallen op de elementen van sociale bescherming die eerder door de arbeidersbeweging waren afgedwongen. Zo titelde de conservatieve krant La Libre Belgique op 7 juli 1932: “De kinderbijslag ruïneert het land.” Er werd gesteld dat het land die kosten niet aankon. Ook werkloosheiduitkeringen en pensioenen lagen onder vuur.
Het verzet van de BWP en de vakbonden tegen deze aanvallen leidde onder meer tot sterke werklozenbetogingen. Maar een meer globaal antwoord op de crisis van het kapitalisme bood de sociaaldemocratie niet, laat staan dat het idee van socialistische maatschappijverandering als een concreet te realiseren doel werd gepopulariseerd.
De mijnwerkersstaking van 1932
Verontrust waarschuwde het christendemocratische parlementslid Bodart dat de werkenden zich niet bij de situatie zouden blijven neerleggen. “Er komt een dag dat ze er genoeg van hebben en samen met de betogers in de Borinage zeggen: ‘Liever dood dan onze kinderen honger zien lijden.’ Die dag wordt alles mogelijk, ook het ergste.” Op een bepaald ogenblik maakt de individuele verdedigingsreflex plaats voor collectieve strijd. Er waren aanzetten hiertoe met onder meer spontante betogingen begin 1932 of de grote deelname aan de werklozenbetogingen in de zomer van 1932. Maar vooral in de mijnwerkersstaking van 1932 kwam het ongenoegen tot uitbarsting.
De directe aanleidingen voor de spontane stakingsgolven – zowel in mei in de Borinage als vanaf eind juni in een meer nationaal gedragen stakingsbeweging – waren verschillende loonsverlagingen die plaatsvonden op een ogenblik dat de broodprijzen stegen. Bij de invoering van een loonsverlaging op 19 juni braken spontane stakingen uit, die een week later leken uit te doven. Het patronaat probeerde van de situatie gebruik te maken om honderden mijnwerkers af te danken. Dat stak het vuur echter nog meer aan de lont: tegen 6 juli was de stakingsbeweging algemeen.
De vakbondsleiding was voorbijgestoken en de BWP-parlementairen beperkten zich tot het indienen van een zoveelste wetsvoorstel voor de nationalisatie van de mijnen, in de wetenschap dat daar toch geen parlementaire meerderheid voor zou gevonden worden. Met deze wetsvoorstellen wilde de BWP-top vooral de beweging afleiden naar het parlementaire terrein, in plaats van de beweging te versterken om de nationalisatie van onderuit af te dwingen.
Waar linkse revolutionairen, in het bijzonder trotskisten van de Opposition Communiste de Gauche (OCG), een voortrekkersrol speelden, werd de staking met een zo groot mogelijke betrokkenheid georganiseerd. In de plaats van Algemene Vergaderingen (AV) per vakbond met controle aan de ingang en een eerder administratieve agenda, werden AV’s open voor iedereen georganiseerd met een grotere deelname vanuit de zaal. Dit was onder meer het geval in Gilly en Châtelineau, in de buurt van Charleroi. Die AV’s waren de plaats waar het eisenplatform en de volgende acties werden besproken. Centrale eisen waren de intrekking van de loonsverlagingen, verdeling van het beschikbare werk, controle op de handel, verlaging van de pensioenleeftijd, nationalisatie van de mijnen en de grote bedrijven. De AV’s hielpen om deze eisen te populariseren en er zo een krachtsverhouding rond op te bouwen. Dit maakte het voor de sociaaldemocratie moeilijker om via meer administratieve vergaderingen de beweging te stoppen.
Doorheen de stakingsbeweging werd eenheid van onderop gebouwd. Vrouwen en migranten speelden een actieve rol, zelfs indien BWP-leiders aanvankelijk erg negatief stonden tegenover migranten. Kamerlid Pierard bijvoorbeeld schreef: “Buitenlandse arbeiders zijn niet zo hard als de Borains. We begrijpen zeker dat medelijden nodig is met de vreemden die naar hier komen. We vragen niet om de ongelukkige Italianen die hier als politieke vluchtelingen zijn, terug te sturen naar de grens. Maar wat de anderen betreft! Hoe internationalistisch we ook zijn, we vragen dat we eerst aan de onzen denken, zonder werk en zonder brood.” Het ACV eiste onder meer de geleidelijke afschaffing van arbeid door gehuwde vrouwen om plaats vrij te maken voor werkloze mannen. Zodra de arbeidersklasse in actie kwam, werd duidelijk dat verdeeldheid tussen mannen en vrouwen of tussen Belgen en migranten de beweging verzwakte. Toen de Mijnwerkersfederatie begin juli een akkoord verdedigde waarin voorgesteld werd om ongehuwde buitenlanders af te danken, werd dit overtuigend verworpen op de Algemene Vergaderingen van de mijnwerkers zelf.
Het gebrek aan perspectief voor de staking, versterkt door het ontbreken van een politiek antwoord op de crisis vanwege de BWP en de relatieve zwakte van zowel de toen ultralinkse KP als de trotskistische linkse oppositie (die beiden evenwel sterk groeiden door hun actieve rol in de mijnwerkersstaking), maakte dat het moeilijk was om door te zetten. Uiteindelijk werd een akkoord van bovenaf opgedrongen, ondanks zware tegenstand van de basis die op heel wat plaatsen nog wekenlang bleef staken. In het akkoord werd een stopzetting van de loonsverlagingen bekomen naast 1% opslag, maar andere elementen bleven erg vaag of verdwenen snel van de tafel eens het werk hervat was. Met 1% loonsverhoging werd de trend van aanhoudende loonsverlagingen gebroken.
Plan De Man en staking van 1936
Hiermee kwam er geen einde aan de economische crisis in België. Van een opleving was er geen sprake. In 1933 probeerde de regering de crisis aan te pakken door nieuwe verhogingen van indirecte belastingen, waardoor de prijzen stegen. De regering deed dit op basis van volmachten: een instrument dat steeds gebruikt wordt om ‘onpopulaire’ maatregelen op te leggen zonder er zelfs maar een parlementaire debat over te houden. Het kwam reeds in 1933 tot nieuwe spontane stakingen op kleine schaal.
De spontane stakingsgolf van 1932 zinderde lang na. Er was een druk naar links binnen de BWP, onder meer door de staking van 1932 en het ongenoegen nadien over het beleid dat de arbeiders deed opdraaien voor de crisis. Eind 1933 stapte de BWP over naar een programma van investeringen en infrastructuurwerken als antwoord op de crisis. Dat was het ‘Plan De Man’, dat enthousiasme creëerde onder bredere lagen van de bevolking.
De staking van 1932 woog door op het politieke terrein. De ondermijning van de autoriteit van de traditionele partijen en de bijhorende politieke crisis, zorgde voor de opkomst van nieuwe partijen. Waar de arbeidersbeweging haar stempel op de gebeurtenissen drukte, zorgde dit voor een opkomst van radicale linkse partijen. Vooral de grootste radicaal linkse partij, de Communistische KPB, ging electoraal en qua militante kracht vooruit. In het najaar van 1932 haalde de KPB 2,9% in de parlementsverkiezingen, een vooruitgang met 1% tegenover 1929 waardoor het aantal Kamerzetels van 1 naar 3 steeg. Extreemrechts kwam er op dat ogenblik nog niet aan te pas, ook al is dit amper enkele maanden voordat Hitler in Duitsland kanselier werd. Tegelijk groeide de druk naar links binnen de BWP, waarbij onder meer de jongerenafdeling politiek opschoof en een groeiende openheid kende voor radicalere standpunten. De trotskisten namen volop deel aan deze discussies en zouden een tijdlang binnen de BWP actief zijn, om uiteindelijk met een organisatie van 800 leden eruit te komen.
De politieke versnippering ging tussen 1932 en 1936 verder, maar vooral met een opgang van extreemrechts. In 1936 haalde het VNV (Vlaams Nationaal Verbond) 16 zetels en Rex zelfs 21. De vooruitgang van de KPB naar 6% en 9 van de 202 Kamerzetels woog daar niet tegenop. Maar ook toen nog was de krachtsverhouding voor de arbeidersbeweging niet zo negatief als de verkiezingsresultaten lieten uitschijnen. Meteen na de verkiezingen barstte de grote spontane algemene staking uit waarmee onder meer het betaald verlof werd afgedwongen. In periodes van offensieve arbeidersstrijd kwam extreemrechts er niet aan te pas. Dit betekende niet dat het gevaar geweken was, maar het duwde extreemrechts grotendeels in het defensief. Pas met de Duitse nazi-bezetting zou daar verandering in komen.
In 1936 kwam het na de moord op twee socialistische syndicalisten, Pot en Grijp, tot een nationale algemene staking. De vakbondsleiding werd opnieuw gepasseerd en de arbeiders eisten een 40-urenweek, algemene loonsverhoging, een minimumloon van 32 frank per dag en zes dagen betaalde vakantie. Regering en patronaat moesten toegevingen doen. Ze vreesden een verdere uitbreiding van de stakingsbeweging en hadden de ervaring van 1932 nog vers in het geheugen. Met het stakingsmes op de keel, werd een loonsverhoging van ruim 7% toegekend, naast de invoering van een wettelijk minimumloon, de 40-urenweek in de mijnen en zes dagen betaalde vakantie voor alle werkenden.
Een periode van economische crisis en depressie kan in eerste instantie een verlammend effect hebben op de arbeidersstrijd. Het heeft dat nog meer op politieke en syndicale verantwoordelijken voor wie maatschappijverandering niet verbonden is met de dagelijkse strijd voor behoud en uitbreiding van sociale verworvenheden. Het ongenoegen en de individuele verdedigingsreflex slaan onvermijdelijk om in collectieve strijd van de werkenden die niet willen, en vaak ook niet kunnen, betalen voor de crisis. Toegevingen afdwingen vereist een krachtsverhouding waar de bazen bang van zijn. “Men moet de bourgeoisie verschrikken om ze inschikkelijk te maken,” merkte Trotski reeds op.
De opbouw van consequent links vereist betrokkenheid in strijd, een uitweg verdedigen en concretiseren, zowel inzake organisatie van de strijd als programma van socialistische maatschappijverandering. Een sterk georganiseerde en ingeplante revolutionair socialistische stroming is nodig om een einde te maken aan het kapitalisme, een systeem dat de werkenden steeds opnieuw veroordeelt tot nieuwe crises.