Lokale verkiezingen in Peru: afstraffing voor de traditionele partijen

Begin januari begonnen de nieuwe verkozenen die op 3 oktober 2010 in de Peruaanse lokale en regionale verkiezingen gekozen werden aan hun mandaat. De uitslag van deze verkiezingen was een zware nederlaag voor de traditionele partijen in Peru, en een zware streep voor de rekening voor heel wat gedoodverfde kandidaten voor de presidentsverkiezingen in april 2011. Deze uitslag toonde tegelijk het ongenoegen aan dat leeft bij brede lagen van de bevolking over de ongelijke verdeling van de vruchten van de sterke economische groei in de Peruviaanse economie de laatste jaren.

Artikel door een correspondent

Nederlaag voor traditionele partijen

In belangrijke steden als Lima, Cuzco, Arequipa, Cajamarca en Trujillo haalden onafhankelijke kandidaten het voor de gedoodverfde favorieten van de traditionele partijen. Regeringspartij APRA behaalde tussen de 12 en 15% van de stemmen, een historische nederlaag voor de partij van president Alan García. In Lima ging de overwinning nipt naar Susana Villarán, een kandidate die met een sterk links en alternatief imago vooral in de armere stadswijken zoals Ate, Comas, of San Martin de Porres scoorde. Haar belangrijkste tegenkandidate, Lourdes Flores, een nationaal bekend politica werd gesteund door president García, en door de huidige burgemeester van Lima, Luis Castañeda Lossio, die zelf op dit ogenblik voorop ligt in de peilingen voor de presidentsverkiezingen in april volgend jaar. Ondanks die massale steun wist Flores enkel in rijke districten zoals Miraflores, La Molina of San Isidro een meerderheid te halen, getuige van het feit dat brede lagen onder de arbeiders en armen in Peru geen enkel vertrouwen hebben in de officiële kandidaten van de burgerij.

De politieke afstraffing van de traditionele partijen in Peru is dan ook ronduit dramatisch te noemen: in slechts 6 van de 25 kiesdistricten in Peru won één van de 5 grote nationale partijen, waarvan de regeringspartij APRA alleen maar in de regio La Libertad in het noorden van Peru kon winnen. De verkiezingen tonen de fundamentele zwakte aan van de traditionele politieke partijen in Peru, die door hun jarenlange trouw aan een neoliberale politiek al hun geloofwaardigheid tegenover bredere lagen hebben verloren. APRA en president García betalen de prijs voor de hondse trouw van de Peruviaanse regering aan het Amerikaanse imperialisme, en hun antisociale politiek in eigen land, terwijl de oppositie moet boeten voor een fundamenteel gebrek aan alternatieven op dit beleid. De situatie brengt de burgerij ook in een moeilijke situatie in aanloop van de presidentsverkiezingen in april 2011.

Lokale verkiezingen als opiniepeiling voor de presidentsverkiezingen: belangrijke test voor de kandidaten van de burgerij

Tot nog toe lag de burgemeester van Lima, Luis Castañeda Lossio, autoritair voor in de peilingen voor de presidentsverkiezingen. Castañeda wist in de hoofdstad ook bij armere lagen een zekere populariteit te behalen op basis van de grote programma’s van openbare werken die gefinancierd werden met de anticrisismaatregelen van de nationale regering, en een vrijwillige belasting op de megawinsten van multinationals. Met het diskrediet van huidig president García en zijn APRA-partij, werd Castañeda door de burgerij sterk naar voren geplaatst als de meest betrouwbare en stabiele kandidaat: het verkiezingsresultaat in Lima toont echter aan dat dit ook meteen zijn grootste zwakte is: veel kiezers uit armere lagen hebben lak aan de kandidaten die hen door de burgerij en het patronaat worden opgedrongen.

In die zin heeft voormalig president Alejandro Toledo meer dan een streepje voor. Toledo kwam in 2001 aan de macht nadat in 2000 een massale volksbeweging de corrupte en autoritaire regering van Alberto Fujimori ten val had gebracht. Hoewel hij werd geholpen door de economische groei, ook toen al gebaseerd op de prijsstijgingen van grondstoffen op de internationale markten, werden Toledo’s trouw aan de neoliberale principes van het IMF en zijn privatiseringsbeleid niet gesmaakt door brede lagen van de Peruviaanse bevolking; Toledo’s partij Perú Posible verloor 43 van haar 45 zetels in de verkiezingen van 2006, en Toledo trok naar de VS om aan de John Hopkins Universiteit carrière te maken als expert in de internationale economie. Veel arbeiders en armen in Peru keken vanaf 2006 vooral uit naar Ollanta Humala, een zelfverklaard aanhanger van de Venezolaanse president Hugo Chavez, en in woorden een fervent aanhanger van de sociale politiek van Chavez en Morales in Bolivië.

Humala weigerde de voorbije jaren echter systematisch om zijn autoriteit en het feit dat zijn partij de grootste is in het Peruviaanse congres een reële rol te spelen in de klassenstrijd in eigen land: Humala beperkte zich tot het prijzen van de sociale maatregelen van Chavez en Morales in hun eigen land zoals nationalisaties, sociale programma’s in onderwijs en gezondheidszorg, maar weigerde systematisch om leiding te geven aan de strijdbare arbeidersklasse in Peru om dergelijke maatregelen ook in eigen land af te dwingen. Veel arbeiders zien Humala vandaag als iemand die grote mooie woorden spreekt, maar te veel gehecht is aan het pluche van zijn congreszetel en zijn vette inkomen als congreslid om die woorden ook in daden durven om te zetten. Het is dit falen van een geloofwaardig links alternatief rond Humala, samen met het desastreuze beleid van president García, scherpe stijgingen in de prijzen van voedsel en andere basisbehoeften, en een alomtegenwoordige corruptie, dat de basis heeft gelegd voor een herwonnen populariteit van Toledo: voor vele Peruvianen is hij, bij gebrek aan beter, en zonder veel enthousiasme, een alternatief op de huidige politiek. Toledo is de voorbije weken dan ook volop begonnen met het verzamelen van steun bij de nieuw gekozen onafhankelijke kandidaten in de verschillende kiesdistricten, vooral dan bij Susan Villarán in Lima. Hij is daardoor samen met Castañeda en Keiko Fujimori (dochter van oud-dictator Alberto Fujimori, die onder bepaalde lagen nog een beperkte populariteit geniet) één van de kanshebbers voor het presidentschap. De huidige politieke instabiliteit maakt echter dat het zeer moeilijk is om vandaag reeds de uitkomst van de verkiezingen te voorspellen.

Welk alternatief bieden de onafhankelijke kandidaten?

Ondanks het feit dat heel wat burgemeestersjerpen of gouverneursposten op papier werden binnengehaald door onafhankelijke kandidaten, of lokale lijsten gebaseerd op een lokaal politicus, onderschrijven de meeste nieuwe verkozenen allemaal de neoliberale politiek van de huidige Peruviaanse regering. Zodra het duidelijk was de Villarán voor lag in de peilingen, deed ze er alles aan de burgerij gerust te stellen dat ze zich inschreef in de marktprincipes, en dat ze geen radicaal linkse politiek zou voeren. Ze keerde zich af van radicaal-linkse partijen zoals de Communistische Partij van Peru Rood Vaderland, die haar gesteund hadden tijdens de verkiezingscampagne, en zocht steun bij lokale ondernemersorganisaties om haar trouw aan de vrije markt te bewijzen. Villarán biedt geen alternatief voor de armen en arbeiders in Lima en Peru. Zo veroorzaakte ze onmiddellijk na haar verkiezing reeds een grote rel door de oorlog te verklaren aan de “illegale praktijken in de taxisector” in Lima. In de hoofdstad rijden zo’n 270.000 taxi’s rond: 10% van alle gezinnen in Lima haalt haar inkomen uit het taxiverkeer. Veel van de taxichauffeurs rijden rond in hun eigen wagen, of huren een auto bij grotere bedrijven: zij werken vaak lange uren om voor zichzelf een inkomen te garanderen. Villarán wil in naam van de verkeersveiligheid een einde maken aan de lange werkuren en onveilige taxi’s, maar biedt geen enkel ander alternatief aan de tienduizenden arme chauffeurs die door zo’n maatregelen zouden getroffen worden.

Zo zullen alle nieuwe lokale besturen de komende jaren geconfronteerd worden met tegenstellingen die binnen het kapitalisme geen oplossing hebben. Enkel in een socialistische economie, gebaseerd op de reële behoeften van de bevolking, en onder controle van de arbeidersklasse, kan een uitweg gevonden worden tussen de tegenstellingen tussen milieu en veiligheid tegenover de werkgelegenheid.

Sterke economische groei, maar ongenoegen in samenleving over groeiende ongelijkheid

De Peruviaanse economie is sinds een drietal jaren de sterkst groeiende economie van Latijns-Amerika, en behoort met een groeicijfer van 9,5% in het derde kwartaal van 2010 tot het koppeleton in de wereld. Deze economische groei is echter zeker niet stabiel te noemen: zij is gebaseerd op enerzijds de relatieve zwakte van de dollar, en een voortdurende waardestijging van de Peruviaanse Sol, en anderzijds de crisis in de meest ontwikkelde kapitalistische landen, waarbij speculanten op zoek gaan naar relatief stabiele groeilanden waar op korte termijn sterke winsten kunnen geboekt worden. In Latijns-Amerika gaat dit bijvoorbeeld om Brazilië, Panama en Peru, waarbij het Braziliaanse model van groei, gebaseerd op goedkope kredieten in een vreemde munt als de dollar ook in Peru wordt toegepast. Peru heeft het voordeel van een lage openbare schuld (24,8% van het BNP), maar een economie die sterk gebaseerd is op de visvangst en grondstoffen zoals koper, zink, goud en lood. Sinds president Fuijimori begin jaren ’90 hebben de opeenvolgende Peruviaanse regeringen ingezet op de ontwikkeling van de mijnbouw en de oliesector in het land, als antwoord op de groeiende de-industrialisering in het land. Bovendien ligt de prijs van koper vandaag 9 keer hoger dan in 2003, die van goud 14 keer, en werd lood 5 keer duurder de voorbije zeven jaar. Hierdoor is het aandeel van ruwe materialen in de Peruviaanse economie de voorbije 3 jaar verdrievoudigd.

De mijnbouw in Peru is vooral een zaak van buitenlandse multinationals, die aangetrokken werden door een politiek van extreem lage belastingen in de sector: de tien grootste mijnbouwbedrijven zijn sinds 1991 niet meer verplicht belastingen te betalen. De vijf grootste onder hen, Cerro Verde (VS), Barrick Gold (Canada), Southern Copper (Mexico), Yanacocha (VS), and Antamina (Zwitsers-Brits-Australisch conglomeraat) zijn samen verantwoordelijk voor 67% van de volledige Peruviaanse export en 80% van de inkomsten uit deze export, hebben de voorbije 5 jaar een gezamenlijke nettowinst van 20 miljard dollar laten optekenen. De regering van Alan García stelde daarop een “vrijwillige belasting” voor op deze bedrijven van zo’n 638 miljoen dollar. Dit fonds zou dan gebruikt moeten worden voor ontwikkelingsprojecten van de regionale autoriteiten in Peru, maar slechts 55% van dit geld werd effectief aangewend. Eén van de verkiezingsbeloften van Alan García in 2006 was om de vrijwillige belasting om te vormen tot een verplichte zogenaamde “windfall tax”: een belasting op de megawinsten die multinationals maken door de gestegen grondstofprijzen. Landen als Bolivië, Mexico, Chili en Australië hebben de voorbije jaren zo’n belasting effectief ingevoerd, maar de Peruaanse regering blijft voorlopig achter. Ondertussen leeft 36% van de Peruviaanse bevolking onder de armoedegrens, en is bijna 15% “extreem arm”.

In 2007 waarschuwde de Amerikaanse economist Michael Porter reeds voor een groeiende afhankelijkheid van Peruviaanse economie van speculatiemarkten: in hoeveelheid is de output van de mijnbouw in tien jaar tijd nauwelijks verdubbeld, de prijsstijgingen voor grondstoffen door speculatie op de internationale markten zorgde echter voor een vervijfvoudiging van de opbrengsten. Dit zorgt er voor dat de economische groei in Peru zeer sterk afhankelijk is van de prijs van grondstoffen op de wereldmarkten: een terugval van deze prijzen door de economische crisis heeft onmiddellijk ook een weerslag op de groeicijfers van de Andesstaat: de crisis van 2009 zorgde voor een terugval van de economische groei in Peru van 9% in 2008 tot 0,9% in 2009!

Ondanks deze fundamentele instabiliteit hebben de spectaculaire groeicijfers in 2008 en 2010 heel wat buitenlandse financiële speculanten aangetrokken, die zich onder meer richten op goedkope kredieten en investeringen in de immobiliënsector. In de meer “stabiele” districten in Lima zoals Surco, Miraflores, Barranco en Chorillos heeft dit tot spectaculaire stijgingen van de huisprijzen gezorgd: met gemiddelde waardestijgingen van 130% (Surco) tot 200% (Miraflores) sinds 2005. Het gevolg is een golf van gigantische bouwprojecten in heel Lima. De speculatie is zo belangrijk dat de Wereldbank midden november 2010 een rapport moest publiceren waarin zij waarschuwde voor bepaalde excessen, maar aangaf ondanks de speculatie nog steeds te geloven in de stabiele basis van de Peruviaanse economie. Ondanks deze geruststelling besliste de Peruviaanse nationale bank onlangs om de stijgingen van de rentevoet op leningen in de Peruviaanse Sol te bevriezen op 3%, daar waar een meerderheid van economische analisten een stijging hadden verwacht.

Inflatie aan strijd, gebrek aan politiek alternatief vanuit de arbeidersbeweging

De sterke economische groei en grote winstmarges staan in schril contrast met de algemeen verspreide armoede in het land. De speculatie en sterke inflatie (tussen 5 en 7% in 2008 en 2009) van de voorbije 3 jaar heeft onder meer gezorgd voor scherpe prijsstijgingen voor voedsel en andere basisgoederen. Hoewel de Peruviaanse regering in november 2010 een lichte verhoging van het minimumloon heeft doorgevoerd, en er in sommige sectoren kleine loonsverhogingen werden opgetekend, volgen de lonen deze prijsstijgingen onvoldoende. Bovendien werkt een belangrijk deel van de Peruviaanse bevolking in de informele sector: het zijn vooral deze armsten die het hardst getroffen worden door de prijsstijgingen. Ook het fundamenteel gebrek aan openbare voorzieningen op het gebied van om. onderwijs, gezondheidszorg en openbaar vervoer zorgt voor een grote sociale ontevredenheid bij brede lagen.

De Peruviaanse arbeidersklasse heeft een geschiedenis met sterke arbeidersorganisaties, partijen en vakbonden. Ook de voorbije jaren heeft het land een scherpe opgang van strijdbewegingen gekend: in 2009 was er de langdurige strijd van de inheemse bevolking in het Amazonegebied tegen de ontginning van hun territoria door Amerikaanse oliebedrijven. De lokale bevolking voerde een succesvolle strijd met wegblokkades, bedrijfsbezettingen en massale betogingen doorheen het hele noordoosten van Peru, waarna de regering in juni 2009 de noodtoestand uitriep, en het leger inzette om de beweging te breken. Op 5 juni 2009 schoot het leger vanuit tanks en helikopters in de mensenmassa die een weg in de buurt van de stad Bagua bezette, met 34 doden en meer dan 200 gewonden als gevolg. De bevolking nam wraak op lokale politiekantoren en regeringsgebouwen, waarbij 23 politieagenten en militairen omkwamen, met nieuwe wraakacties van het leger en de politie als gevolg. Mensenrechtenorganisaties schatten dat in de weken rond deze slachtpartij tientallen tot honderden indianen werden vermoord door het leger.

De slachting zorgde voor een gigantisch protest, een Mars op Lima en een algemene staking georganiseerd door mensenrechtenorganisaties en de vakbondscentrale CGTP. De regering had geen keuze dan de concessies van multinationals in het gebied voor onbepaalde tijd terug in te trekken, en toe te geven op vele eisen van de lokale bevolking. Het gebrek aan een standvastige leiding van deze beweging, die vooral spontaan ontstond en terug ging liggen, zorgde er voor dat Alan García aan de macht kon blijven, en dat de verantwoordelijken in de regering voor de moordpartijen niet werden gestraft.

De voorbije jaren heeft Peru echter ook een hele reeks nationale stakingen en grote protesten gekend van de mijnarbeiders, leerkrachten en werknemers van de gerechtsgebouwen, en talloze kleinere sociale conflicten. Ondanks de enorme repressie vanuit de politie en het leger, regelmatig met dodelijke slachtoffers tot gevolg, hebben sommige van deze bewegingen hebben tot successen geleid: zo bekwamen de mijnarbeiders belangrijke loonsverhogingen en betere werkomstandigheden. Er is vandaag echter geen enkele partij in Peru die deze bewegingen groepeert of leiding geeft, wat ook resulteert in heel wat nederlagen. Peru is een land met een onschatbare natuurlijke rijkdom, en een goed georganiseerde en strijdbare arbeidersklasse. Wat echter ontbreekt is een echte arbeiderspartij die in de concrete strijdsituaties een socialistisch programma naar voren kan brengen, enkel een economie gebaseerd op de behoeften van de hele bevolking, en onder democratische controle van de arbeidersklasse kan immers afrekenen met de corruptie en armoede in het land!