Revolutionaire crisis in Iran. Arbeidersklasse moet centrale rol spelen!
De afgelopen weken werd Iran getroffen door een revolutionaire crisis. Honderdduizenden, wellicht miljoenen, mensen kwamen op straat. De angst om te protesteren tegen het dictatoriale regime is weggevallen. De jarenlange opgekropte woede en het ongenoegen kwamen tot uitbarsting in een beweging die qua omvang niet meer gezien werd sinds de revolutie van 1979.
Geert Cool. Artikel uit de zomereditie van het maandblad "Socialistisch Links"
De aanloop
De afgelopen 40 jaar kende Iran een bewogen geschiedenis. Het olierijke land profiteerde in de jaren 1970 van de verviervoudiging van de olieprijs. Tussen 1972 en 1975 steeg het bbp in het land gemiddeld met 34% per jaar. Het regime van de Sjah ontving miljarden die werden doorgesluisd naar een kleine toplaag. 45 families bezaten 85% van de middelgrote en grote bedrijven. De rijkste 10% was goed voor 40% van de inkomsten, terwijl meer dan een kwart van de bevolking in absolute armoede leefde.
Het groeiende ongenoegen leidde tot een uitbarsting van woede die het voorheen stabiel geachte regime van de Sjah omver wierp in een beweging in 1979. De arbeiders stonden vooraan in de beweging tegen het regime. Het begon als een reactie op de repressie tegen één van de vele illegale betogingen tegen het regime. Het neerschieten van honderden betogers in Qom leidde tot een algemene staking met twee miljoen betogers in Teheran.
Tijdens de algemene staking was de arbeidersklasse zich bewust van haar kracht, maar niet van hoe het deze macht moest organiseren. Het ontbrak de arbeiders aan een duidelijk programma en alternatief, onder meer door het falen van de voorheen machtige communistische partij (Tudeh). Die partij zocht toenadering met andere krachten, waaronder de clerus. Dat bood ruimte aan de reactionaire religieuze krachten rond Ayatollah Khomeini.
De reactionaire religieuzen stelden een totalitair regime in dat uiteindelijk de arbeidersbeweging op brutale wijze zou onderdrukken. Er werd een einde gemaakt aan de gewapende arbeiderscomités die de controle hadden overgenomen in tal van fabrieken. Khomeini moest aanvankelijk voorzichtig te werk gaan, de repressie werd stap per stap opgedreven en ging gepaard met sociale toegevingen als gratis gezondheidszorg en openbaar vervoer. Er kwamen overheidssubsidies voor energie en basisgoederen. Dat vormde de basis voor de uitbouw van het religieuze regime.
Binnen het regime waren er verschillende stromingen. Enerzijds was er de groep rond Khomeini die de macht bij de religieuze leiding wou houden en het islamitisch fundamentalisme naar de rest van de wereld wou exporteren. Anderzijds was er een meer pragmatische vleugel die pleitte voor een moderne gecentraliseerde kapitalistische staat. Deze tegenstelling wordt vandaag nog steeds verder uitgevochten in de confrontatie tussen ayatollah Khamenei en “hervormer” Rafsanjani.
In Iran is de kloof tussen rijk en arm niet verdwenen, de helft van de rijkdom is in handen van minder dan 20% van de bevolking. De religieuze inmenging in het leven van jongeren en vrouwen botst op steeds meer verzet. Dat leidde meermaals tot acties en bewegingen. Eind jaren 1990 waren er diverse studentenacties met een hoogtepunt in 1999. Die beweging beëindigde heel wat illusies in de toenmalige “hervormingsgezinde” president Khatami die zich niet uitsprak tegen de repressieve aanpak van de studentenbeweging. Vandaag is Khatami één van de centrale figuren achter Mousavi.
Sinds 2004 is er een opleving van stakingen en arbeidersacties. Er werd gestaakt door het buspersoneel in Teheran (waar een onafhankelijke vakbond werd opgezet onder leiding van de inmiddels gevangen genomen Mansour Osanloo), in de suikerfabrieken van Haf Tapeh, door leraars, textielarbeiders en in de automobielsector in Iran Khodro. In 2005 was er zelfs een nationale dag van stakingen en acties. Op 1 mei van dit jaar waren er betogingen en acties. Het regime antwoordde met repressie: meer dan 80 activisten werden opgepakt.
Deze acties vormden een voorbode voor de beweging die in juni losbarstte in Iran.
De opstand
Van de oorspronkelijke 475 kandidaten voor de Iraanse presidentsverkiezingen, mochten er uiteindelijk slechts vier effectief deelnemen. Het ging telkens om figuren van de gevestigde orde. De belangrijkste uitdager voor Ahmadinejad was Mousavi. Die staat voor een gematigder opstelling tegenover het Westen, maar was wel Iraans premier in de periode van de oorlog met Irak (1980-88) toen er een scherp repressief beleid werd gevoerd.
In 2005 haalde Ahmadinejad nog een onverwachte overwinning op Rafsanjani op basis van beloften inzake een rechtvaardige verdeling van de olie-inkomsten en een verbetering van de levensstandaard van de armen. Hij sprak zelfs over een “republiek van de armen”. Ahmadinejad kwam die beloften niet na, maar bleef zich profileren als een figuur die ingaat tegen corrupte kapitalisten. Mousavi kon zich opwerpen als de kandidaat die Ahmadinejad kon verslagen.
De resultaten werden twee uur na het sluiten van de kiesbureaus al bekendgemaakt en toen bleek meteen dat er sprake was van fraude. Ahmadinejad beweerde 64% van de stemmen te hebben behaald. De aankondiging van dat “resultaat” leidde meteen tot massale bijeenkomsten en betogingen van voornamelijk jongeren en vrouwen. 60% tot 70% van de bevolking in Iran is jonger dan dertig jaar. Het protest ging al snel niet meer enkel om de verkiezingsresultaten maar ook om het gebrek aan democratische rechten, de werkloosheid, huisvestingsproblemen,…
De afkeer tegenover het regime werd het centrale thema. Pogingen van het regime om de beweging te stoppen mislukten. Mousavi moest, na een aanvankelijke oproep om de acties te stoppen, opnieuw deelnemen aan de beweging. Eens de stap werd gezet om actief in verzet te gaan tegen het regime, was de beweging niet meer te stoppen.
Het regime zelf was verdeeld over hoe de beweging moest worden aangepakt, in de conservatieve kringen van het bewind kwam het volgens de Britse journalist Robert Fisk zelfs tot dermate verhitte discussies dat enkele vuistslagen werden uitgedeeld. Op het ogenblik van het schrijven van dit artikel is het nog onduidelijk hoe de beweging verder zal ontwikkelen, een revolutionair proces ontwikkelt van uur tot uur en van dag tot dag. Voor actuele analyses en verslagen verwijzen we graag naar onze website socialisme.be. Intussen kunnen wel een aantal algemene lessen worden getrokken.
Hoe een overwinning bereiken?
Het is duidelijk dat een nieuw tijdperk is aangebroken in Iran en dat de opstand en revolutie zullen ontwikkelen over een langere periode met tal van crisissen en keerpunten in de situatie. De centrale vraag is hoe de arbeidersklasse een centrale rol in de strijd kan opnemen om deze vooruit te brengen.
Lenin had het over vier belangrijke voorwaarden opdat een socialistische revolutie zou ontwikkelen. Ten eerste verdeeldheid en splitsingen in de heersende klasse en haar politieke vertegenwoordigers. Ten tweede moet een aanzienlijk deel van de middenklasse aangestoken zijn door de revolutie en deze ondersteunen. Ten derde moet de arbeidersklasse georganiseerd zijn en bereid zijn om de strijd aan te gaan waarbij het zichzelf aan het hoofd plaatst van het revolutionaire proces. Ten vierde is er nood aan een massale revolutionaire socialistische partij met een duidelijke leiding en steun onder bredere lagen van de massa’s, in het bijzonder de actieve lagen van de arbeidersklasse.
De eerste twee voorwaarden zijn aanwezig in Iran. Maar het zou voorbarig en onverantwoordelijk zijn om op simplistische wijze te argumenteren dat deze voorwaarden op dit ogenblik voldoende ontwikkeld zijn in Iran. De derde voorwaarde – bereidheid van de arbeidersklasse om de strijd aan te gaan – is niet volledig duidelijk op dit ogenblik. De arbeidersklasse heeft haar stempel nog niet voldoende op de beweging kunnen zetten, toch niet als onafhankelijke kracht. De vierde voorwaarde van Lenin, de nood aan een massale revolutionaire socialistische partij en leiding, moet nog worden gerealiseerd. De bereidheid van de arbeiders om de strijd aan te gaan, moet uitgetest worden in verkozen strijdcomités en onafhankelijke vakbonden die moeten worden uitgebouwd.
De afwezigheid van een sterk verspreid bewustzijn onder de arbeidersklasse van haar onafhankelijke rol en de afwezigheid van een revolutionaire leiding vormen objectieve hinderpalen voor de revolutie. Anderzijds is de beweging in Iran mogelijk slechts een voorloper van een veel belangrijker beweging. Zelfs indien het regime nog een tijdlang kan standhouden, zullen de sociale crisis en de tegenstellingen aanwezig blijven en leiden tot nieuwe revolutionaire opstoten.
Internationale solidariteit
LSP nam reeds deel aan verschillende solidariteitsacties in ons land. We publiceerden een solidariteitsboodschap die werd verspreid in het Nederlands, Frans, Engels en Perzisch. We werken samen met linkse activisten uit Iran die zich verzetten tegen het reactionaire regime van Ahmadinejad zonder enige illusies te koesteren in Mousavi of het westers imperialisme.