Asielbeleid. Het leven zoals het is… gesloten centra
De asieldiscussie woedt momenteel in de regering en de media. Aanleiding is een voorstel van minister Turtelboom om een puntensysteem door te voeren bij de regularisatieprocedure. Daarbij zou het vooral belangrijk zijn om werk te hebben, liefst nog in een knelpuntenberoep. Eens te meer wordt de discussie over het asielbeleid gevoerd vanuit het perspectief van de bedrijven. Een stem die zelden aan bod komt, is deze van de asielzoekers zelf. We publiceren een verslag van het leven in een gesloten asielcentrum geschreven door een ooggetuige.
Het Centrum voor Illegalen in Brugge (CIB) is één van de gesloten centra, naast deze van Vottem, Merksplas, Melsbroek en Steenokkerzeel. Het centrum bevindt zich in de vroegere vrouwengevangenis, aangrenzend aan het politiekantoor en dichtbij de huidige gevangenis. Het gebouw is oud en werd destijds als ontoereikend beschouwd voor de vrouwengevangenis. Als het daarvoor niet meer goed genoeg was, kan het blijkbaar wel nog dienst doen om zo’n 120 mensen van allerhande origine op te sluiten omdat ze niet over een wettelijke verblijfsvergunning beschikken.
Deze mensen worden vastgehouden tot hun identiteit achterhaald of erkend wordt, waarna ze vrijgelaten of gedeporteerd worden naar het land van herkomst. Het overgrote deel zijn mensen van Noord Afrikaanse origine, daarnaast twee middelgrote groepen Zwart Afrikanen en mensen van Indisch/Pakistaanse herkomst. Een minderheid zijn Oost Europeanen en Aziaten. Kinderen worden hier niet opgesloten.
De intake
Wanneer je met een politiecombi de ijzeren hekken van het gesloten centrum binnenrijdt, overkomt je dit doorgaans onverwacht. Je was op doorreis en kon bij een politiecontrole op de trein geen geldige identiteitspapieren of verblijfsvergunning voorleggen. Je stapte van het vliegtuig in Zaventem en plots werd je tegengehouden terwijl alle anderen met rust gelaten worden. Je was de zoveelste dag aan het werk op een bouwwerf toen politie daar een identiteitscontrole hield en je meegenomen wordt. Of je liep gewoon op straat, op weg naar enkele vrienden, wanneer je op enkele meters van hun huis aangehouden wordt door twee agenten die je papieren vragen. Je hebt niets bij, dus nemen ze je mee.
Het volgende moment loop je aan beide handen geboeid een kale gang door, met twee agenten aan je zij. Elke deur waar je door moet, wordt met een digitale sleutel geopend en achter je weer gesloten. Ze leiden je een kamertje binnen. Daar staat een bureautje en een stoel tegen de muur, waar je moet gaan zitten. Naast je in de hoek hangt een gordijn, met daarachter opnieuw een klein stoeltje. Het is er warm, want de ruimte huisvest ook een grote machine, waarvan later zal blijken dat ze dient om digitaal je vingerafdrukken te nemen. Je krijgt een bedrukt A4tje van een vriendelijke dame, die je aanspreekt in Frans of Duits. Dit is wel de eerste persoon die je ietwat op je gemak probeert te stellen. Ze geeft je een bekertje water en herhaalt wat er op het blad staat. “Dit is geen gevangenis, dit is een gesloten centrum. Je blijft hier tot we je identiteit kennen en weten of je hier mag blijven. Je hebt straks het recht om te telefoneren. Eerst maken we een inventaris op van je persoonlijke spullen. Daarna ga je douchen en word je medisch onderzocht.” Wanneer je enkel Hindi, Chinees, Russisch of Marokkaans spreekt, heb je er het raden naar wat gezegd wordt.
Vervolgens gaat de dame weg. Je blijft alleen in het kamertje met de veiligheidsbeambte. Die ziet er net hetzelfde uit als de agenten die je arresteerden, enkel draagt hij geen wapens. Hij gebiedt je achter het gordijn te gaan staan. Je moet je volledig uitkleden en je kleding wordt doorzocht. Wanneer dit voorbij is, komt de dame terug. Jij zit op de stoel, terwijl zij en de veiligheidsbeambte je tassen openen en er alle spullen uithalen. Alles krijgt een naam en wordt genoteerd. Medicatie, verzorgingsproducten, GSM, sierraden & metalen voorwerpen worden in een afgesloten zak bewaard. “Die mag je niet meenemen”. Als je vraagt waarom, zegt men onomwonden: “omdat je jezelf of anderen niet zou verwonden.” Je geeft al je geld af, 5 € wordt ingetrokken als waarborg voor de sleutel van je kast. Je ondertekent de inventaris van je spullen en een document waarin staat dat je ze tot aan je vertrek toevertrouwt aan het centrum evenals het feit dat je een waarborg hebt betaald. Ook als je niet begrijpt wat er staat, word je verondersteld te tekenen. Vervolgens vraagt men om mooi te lachen, er wordt een foto gemaakt. Die wordt op een kaart gedrukt, ernaast komt een nummer. Dat nummer wordt voor de rest van je verblijf je aanspreeknaam. De vriendelijke dame neemt je vingerafdrukken op de grote machine. Zij draagt latex handschoenen omdat je misschien Hepatitis B hebt. Je bent zenuwachtig, je handen beven en zijn zweterig. Ze zegt dat het nemen van de vingerafdrukken niet betekent dat je crimineel bent. Het is in je eigen voordeel. Je krijgt en grote plastic zak, met daarin dekens en pantoffels, vervolgens wordt je meegenomen naar de medische vleugel.
De veiligheidsbeambte of ‘cipier’ is degene waar je tijdens je gehele verblijf het meest mee in contact komt. Dit zijn mensen zonder specifieke opleiding. Veiligheidsbeambten worden verondersteld sporadisch een cursus agressiebeheer te volgen, maar moeten voorts spontaan met mensen in deze ongewone situatie kunnen omgaan. Het hangt dan ook van zeer persoonlijke elementen af of dit al dan niet lukt. Taal is vaak reeds een grote hindernis. Er zijn geen permanente tolken aanwezig op het centrum, daar wordt enkel voor gezorgd tijdens je gesprek met je advocaat.
Mensen die voor het eerst in een centrum toekomen, zijn vaak in paniek. Ze zien een gevangenis, ook al zegt men dat het niet zo is. Prikkeldraad, hoge hekken, gesloten deuren, een schraal binnenplein, handboeien,… Als niemand je kan geruststellen in je eigen taal en je begrijpt niet waarom je deze ‘gevangenis’ in moet, dan is angst normaal. Je huilt of verzet je. In beide gevallen wordt hier niet passend op gereageerd. Jouw veiligheidbeambte weet vaak niet hoe dat het beste moet. Hij/zij roept enkel harder in een taal die je niet verstaat, wild gesticulerend, of negeert je en gaat gewoon door met het fouilleren.
Repressie
Op de medische vleugel zijn er ziekenkamers. Deze kamertjes hebben stevig vergrendelde deuren, met een raam van gewapend glas. In de kamer staan enkel een bed, een aluminium wasbak en een WC-pot. Het enige raam is beschermd met een laag plexiglas aan de binnenkant en traliewerk aan de buitenkant. Deze kamers doen dienst als onderdak voor zieken of drugsverslaafden, die hier de ‘cold turkey’ methode ondergaan. Soms worden deze kamers ook gebruikt voor de isolatie van ‘opstandigen’. Dit enkel wanneer de isoleercellen, een gang verderop, volzet zijn.
Het gaat daarbij om isoleercellen in de klassieke zin van het woord. Een kamertje van 3 m² volledig uit koud beton, er is geen raam. De zware deur heeft een kijkgat waar enkel door naar binnen gekeken kan worden en een doorgeefluik. Daar krijg je 3 keer per dag 4 sneden brood en een glas water doorgeschoven. Douchen mag niet, naar buiten gaan evenmin. Afhankelijk van je ‘opstandigheid’ word je er 12 uur tot 3 dagen opgesloten. Door het tekort aan deze cellen beland je er soms met twee of drie. Er is maar één bed. Je wordt geïsoleerd als je weigert een medisch onderzoek te ondergaan, als je in een gevecht betrokken was of als er verzet was bij je intake. Volgens de sociaal assistenten en de psychologen wordt slechts zelden gebruik gemaakt van isolatie (het woord isoleercel is overigens onbestaand; er wordt gesproken over ‘veiligheidskamers’ ). In de periode dat ik getuige kon zijn van het leven binnenin, heb ik nooit een dag gekend waarop niet minstens één isoleercel bezet was.
Het leven achter tralies
Het dagelijks leven in het centrum is afstompend. Mannen en vrouwen leven strikt gescheiden in 4 (2 mannelijke en 2 vrouwelijke ) ‘leefgroepen’ van om en bij de 30 mensen. Alle nationaliteiten leven naast elkaar. Alles gebeurt dag in dag uit in groep. De slaapzaal bestaat uit rijen stapelbedden, iedereen heeft naast het bed een eigen kast. In een open bijgebouwtje aan de slaapzaal staan 4 toiletten en een wasbak.
Elke ochtend word je op een vast uur gewekt. Om de groepen gescheiden te houden, heeft elke leefgroep een ander tijdschema. Na het opstaan, volgt een verplichte douche. Zeep, handdoek en scheergerief worden uitgedeeld voor het douchen en dienen nadien weer ingeleverd te worden (om de veiligheid te garanderen). De douchecel is de enige plaats waar er iets van privacy is. Dit zijn de enige 15 minuten op een dag dat je ‘alleen’ bent. Hierdoor is dit ook het grootste “risicomoment” voor zelfverwondingen of pogingen tot zelfmoord. Meestal gaat het niet om echte pogingen tot zelfmoord, maar om pogingen om toegang te krijgen tot een verzorging in een ziekenhuis buiten het centrum.
Na het douchen moet iedereen naar de eetzaal waar je nummer wordt gecontroleerd en genoteerd. Enkel de sociaal assistenten eten samen met de mensen-zonder-papieren. Het overige personeel (veiligheidsbeambten, psychologen, administratief personeel,… eet aan een aparte tafel). Na het eten volgt een half uur “luchten” op een stevig omheinde binnenkoer. Daarna gaat elke leefgroep naar de eigen leefzaal.
De leefzalen zijn kale ruimtes van zo’n 30m² met hoge ramen met traliewerk. Er staat een pooltafel en een TV. Daar zijn enkel (bollywood) films op te zien, geen actuele uitzendingen of nieuws. Deze zalen zijn smerig en aftands. Aangrenzend bevindt zich het sanitair, zonder afgesloten deur, oud en vuil, met 4 toiletten. De uren gaan hier onmetelijk traag. De meeste mensen hangen er wat rond of slapen de hele dag. Velen staren gewoon apathisch voor zich uit. Op een bepaald uur van de dag is er een ‘creamoment’ voorzien. Dan kan wie wil, begeleid door sociaal assistenten, 2 uur tekenen, schilderen of boetseren. Dit vergelijk je best met creativiteitsuurtjes in het lager onderwijs: kinderlijk, nutteloos en zonder degelijk materiaal in vuile kleine kamertjes. Deze creamomenten brengen vaak ontroerende schilderwerkjes waar doorgaans de wens en het vooruitzicht van vrijheid, boodschappen van verdraagzaamheid en vrede naar voor komen. De muren in de slaapzalen daarentegen dragen gekraste en geschreven slogans als ‘Belgique pays de merde’ of ‘gouvernement fasciste’.
Om de sleur te breken, kan er gewerkt worden. Voor een uur huishoudelijk werk, zoals het vegen van de trappen of helpen met de was ontvang je bons, waarmee je ‘luxeproducten’ kan kopen zoals chocolade of zeep. De mannen krijgen 4 keer per week toegang tot een fitnessruimte, de vrouwen 3 keer per week.
Het totale gebrek aan privacy, dag en nacht, in dergelijke zenuwtergende omstandigheden zorgt voor raciale, religieuze en seksuele spanningen. Dat leidt meermaals tot gevechten op basis van afkomst of geloofsovertuiging. Er zijn soms verkrachtingen in de slaapzalen. Het gebouw is ongeschikt en het gevangenisregime leiden onvermijdelijk tot dergelijke excessen.
Deportatie
“Of er nooit fouten gemaakt worden? Dat weten we niet. We horen zelden wat er gebeurt met een bewoner die gerepatrieerd wordt. Eén keer wel. Dat was een Congolees. Hij zei dat hij journalist was en tegen de regering had geschreven. Hij mocht niet blijven en is teruggestuurd. Een week later hoorden we dat hij bij aankomst gefusilleerd is.”
Meestal verblijven mensen maximum drie maand in het centrum, waarna ze gedeporteerd worden. De meesten doen dit “vrijwillig”. Deze vrijwilligheid is zeer relatief zoals ook geïllustreerd wordt in een informatievideo die elke gevangene te zien krijgt op de eerste dag van zijn verblijf.
Er zijn drie gradaties van deportatie: ten eerste een “vrijwillige” repatriëring, daarna een repatriëring met “licht verzet” (als de gedeporteerde roept en schreeuwt) waarop er boeien worden omgedaan en twee agenten de gedeporteerde begeleid. De informatievideo meldt: “Vanaf hier is elk verzet zinloos”. Als de gedeporteerde kalmeert, mogen de boeien los. De derde gradatie van deportatie is deze met “hevig verzet”, als de gedeporteerde zich fysiek verzet. Hij wordt door 4 agenten in een gepantserde wagen gesleurd. Zijn armen in een dwangbuis, de voeten geboeid. Om zijn hoofd krijgt hij een soort rubberen helm. Onder luid geschreeuw dragen de vier agenten hem in een speciaal gecharterd vliegtuig. Een psycholoog praat op de man of vrouw in om deze te kalmeren. De 4 agenten houden de gedeporteerde stevig vast. Het vliegtuig stijgt op. Dit fragment van de informatievideo is zwaar intimiderend en moet elke hoop op ontsnapping de kop indrukken.
Wat niet wordt gezegd, is dat mensen-zonder-papieren drie keer kunnen weigeren om vrijwillig te vertrekken, vooraleer er een gedwongen deportatie komt. Bij elke weigering, wordt de hele procedure opnieuw opgestart en wordt het vertrek met drie maanden uitgesteld. Dat leidt ertoe dat sommigen een klein jaar in de gesloten instelling blijven. Vaak is deze mensonwaardige opsluiting een beter alternatief dan teruggestuurd worden naar land van herkomst.
”Ze vinden altijd nieuwe manieren om te ontsnappen. We hebben er hier eentje die al drie keer ontsnapt is en telkens weer gevat wordt. Soms slagen ze er wel in. Onlangs zijn ze met 8 tegelijk buitengeraakt. Ze hadden een gat gemaakt in het dak van de slaapzaal met god weet wat. Via de dakgoot naar de rechtervleugel en zo naar beneden gesprongen. Eentje brak een been en die hebben we daar gewoon weer opgeraapt. De rest is verdwenen. Ze zijn tot alles in staat om weg te raken. Een jaar geleden was plots een Rwandees verdwenen. Nergens te bespeuren en nergens een spoor van ontsnapping, niemand was een sleutel kwijt. Tot plots twee dagen later een van ons opmerkte dat het mos rond het riooldeksel op de binnenkoer loszat. En ja hoor. Hij was 20 meter vergeraakt, tot de doorgang te smal werd en is daar blijven zitten. 2 dagen lang in de stront…”