Burgerij is politiek zwak, maar wanneer gaan de vakbonden in actie?

De gesprekken over de regeringsvorming zijn bij het schrijven van dit artikel op weg om een nieuw record te vestigen. Bij gebrek aan verbeteringen op het vlak van koopkracht, werkzekerheid of gezondheidszorg zijn de politici van de patroons verplicht uit een ander vaatje te tappen. Ze hebben zich ingegraven in een communautaire stellingenoorlog. Of dit leidt tot een regimecrisis voor de burgerij zal de komende weken moeten blijken. En zelfs al komt er een regering van christen-democraten en liberalen, dan nog zal rooms-blauw een weinig stabiele regering vormen.

Peter Delsing

Tijdens de onderhandelingen vond een waarschuwingsstaking plaats van ACOD-spoor tegen de plannen rond een minimumdienstverlening. De ACOD-leiding liet haar leden “individueel” beslissen over één uur staking. Dit was geen duidelijk ordewoord. De kracht van de arbeiders ligt juist in de collectieve actie en discussie. Er waren voor de vakbond efficiëntere methodes om een signaal uit te zenden, door gezamenlijke werkonderbrekingen bijvoorbeeld. In zekere zin gaf deze staking wel een treffend beeld van de huidige politieke situatie.

De burgerij heeft een probleem met de huidige generatie van haar politieke personeel. Die politici lijken niet in staat te zijn om de belangen op langere termijn van de patroons en hun systeem te verdedigen. Anderzijds beschikken de arbeiders nog niet over een leiding om de politiek zwakke en verdeelde burgerij in het defensief te duwen door collectieve actie. Dit gemis toont zich zowel op syndicaal als op politiek vlak, in het ontbreken van een brede arbeiderspartij.

Eveneens eind oktober vond in Antwerpen een syndicaal debat plaats omtrent “Red de solidariteit”. Ook hier weerklonk de roep naar actie vanuit de zaal, en werd de vraag gesteld naar een politieke vertegenwoordiging van de arbeiders. De bijeenkomst toonde aan dat de karikatuur van de “egoïstische Vlamingen die de sociale zekerheid willen splitsen”, gepropageerd door de burgrlijke Franstalige politici, heel eenzijdig is.

Zowel Vlaamse, Brusselse als Waalse arbeiders zullen te lijden hebben onder de maatregelen van een rooms-blauwe regering: besparingen in de gezondheidszorg, het schrappen van meer dan 10.000 jobs bij de ambtenaren, de mogelijkheid om jongeren vanaf 14 jaar in jeugdgevangenissen te steken.

Een nieuwe regering zal veel minder kunnen profiteren van economische groei. De budgetten dreigen jarenlang in het rood te gaan. Dit betekent besparingen van een niveau die Leterme, Reynders, etc. zich nu nog niet wensen in te beelden.

En ondertussen vinden de Vlaamse liberalen dat het allemaal nog wat sneller mag gaan: beperking van de werklozensteun in de tijd, versoepeling van het ontslagrecht, meer lastenverlagingen,… Zelfs als rooms-blauw toch mislukt, zou het in een “tripartite” – met de sociaaldemocratie – nog moeilijker worden om programmapunten binnen te halen.

De “kritiek” van de SP.a en de PS op dit spektakel? Veel geblaat, weinig wol. Vandenbroucke hoopt op een “Vlaamse” overwinning: hij vindt de asociale splitsing van het arbeidsmarktbeleid belangrijker dan de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. Laurette Onckelinckx probeert zich op te werpen als de Jeanne d’Arc van “de Franstaligen”, met inbegrip van superrijken als Albert Frère blijkbaar. Over de eengemaakte belangen van alle arbeiders in dit land? Geen woord. CAP moet, in de turbulente periode die zich aandient, van elke strijdbeweging gebruik maken om een echt solidaire politiek naar voren te brengen. Op de piketten, in de wijken en in de scholen. Een programma dat de rijken doet betalen zou de komende jaren een belangrijke echo kunnen vinden.