Commonwealth Games in India. De armen verliezen

Naar aanleiding van de Commonwealth Games (Gemenebestspelen, een vierjaarlijkse sportwedstrijd met 54 deelnemende landen die vroeger allen tot het Britse Rijk behoorden) van 3 tot 14 oktober werd bekend dat de infrastructuur in New Dehli verre van ideaal is, dat arbeiders in onmenselijke omstandigheden moeten werken en dat het mogelijk allemaal in de soep zal draaien. Dat was geen verrassing. Een aantal atleten heeft afgezegd, onder meer omdat de kamers te vuil zijn. We publiceren een artikel dat eerder verscheen in Dudiyora Horaata, het blad van de linkse socialisten in India.

Ankit Sharma en Paresh Chandra in Dudiyora Horaata

In de 19de eeuw schreef de voormalige Britse premier en gekende novellist Benjamin Disraeli een boek met als titel “Sybil: The Two Nations”. Dit was een van de eerste boeken waarin de polarisatie van rijkdom en macht onder het kapitalisme werd onderzocht. Er werd duidelijk gemaakt hoe in een en hetzelfde land enerzijds overvloed en luxe is, terwijl er anderzijds ook extreme honger is. Vandaag moet je in India voor dit onderscheid geen vergelijking maken tussen de grote steden en het platteland, de tegenstelling is ook in de hoofdstad zelf aanwezig.

Het afgelopen decennium stond Dehli voor een sterke “ontwikkeling” met grote bruggen, brede wegen, uitbouw van een metronet,… Dehli moet een nieuwe “wereldstad” worden. Dit gaat evenwel ten koste van de basisbehoeften van veel inwoners van de stad en de omstreken. Als je bepaalde traditionele media zou mogen geloven, dan kan de ontwikkeling van een stad worden afgemeten aan het aantal winkelcentra, miljonairs of de breedte van de wegen. Maar dat heeft allemaal betrekking op een kleine rijke minderheid in de samenleving. Een deel van de elite stelt dat Dehli alles heeft om een wereldstad te worden waarbij andere grote steden als Mumbai en Kolkata zijn voorbijgestoken. Voor dat standpunt wordt verwezen naar de nieuwe metro en de status van de stad als kruispunt van verschillende Indische culturen (een resultaat van het feit dat de industriële zones rond de stad arbeiders uit heel het land aantrekken). Doorgaans wordt wel gezwegen over de omstandigheden waarin deze arbeiders leven en werken.

Voor een meerderheid van de bevolking is India geen rijzende ster. Als we het optimistisch inschatten en stellen dat 10% van de bevolking in het land voordeel haalt uit de ontwikkeling van de afgelopen tien jaar, dan gaat dit nog maar om amper 100 miljoen mensen terwijl het voorbij gaat aan de andere 900 miljoen. De regering en de media richten zich vandaag enkel naar diegenen die het goed hebben of die voordeel halen uit het neoliberale beleid. Een deel van de middenklasse wordt misschien geraakt door de crisis, maar blijft vooral dromen over de rijkdom die komt.

De Commonwealth Games in Dehli warden aangegrepen om middelen in de stad aan te wenden om de infrastructuur van de stad uit te breiden. Er werden nieuwe wegen gebouwd, nieuwe sportstadions en zelfs een heus “dorp” dat groot genoeg is om de inwoners van verschillende sloppenwijken te huisvesten. De stad kent een van de grootste watertekorten uit haar geschiedenis, maar intussen worden de zwembaden gevuld. Drie jaar lang waren de sportactiviteiten van studenten in de stad onmogelijk omdat de infrastructuur moest worden omgebouwd. Nu kwamen duizenden studenten verder in de problemen omdat ze de gestegen kamerprijzen niet meer kunnen betalen. Er werd ook al aangekondigd dat de bevolking van Dehli voor de Spelen zal moeten betalen in de vorm van hogere belastingen, een stijging van de prijzen voor openbaar vervoer,… Er wordt daarbij beweerd dat de inwoners van Delhi toch rijk genoeg zijn om een kleine opoffering te doen in het belang van de nationale glorie en de eer van de stad.

De media bieden intussen geen beeld van hoe de meerderheid van de bevolking leeft. Grote groepen migranten kwamen de afgelopen jaren naar Delhi omdat er werk was in de grote infrastructuurwerken in de aanloop naar de spelen. De grote toevloed van arbeiders zorgde ervoor dat de lonen en voorwaarden van de vele laag betaalde arbeiders uit de sloppenwijken en arbeidersbuurten nog verder onder druk kwamen te staan. De bedrijven en de regering speelden daarop in. De lonen en arbeidsvoorwaarden op de sites waren schandalig.

Er waren lonen van 200 tot 700 Roepees (3 tot 11 euro) voor een werkdag van acht uur. De media stellen soms dat de regering voor werk zorgt waardoor arbeiders en hun gezinnen kunnen overleven, maar met dit soort lonen is het moeilijk om rond te komen. Er zijn soms wel tijdelijke voorzieningen om in de buurt van werven te verblijven, maar dat gaat soms om niet veel meer dan krotten. De arbeiders hebben bovendien geen werkzekerheid, ze werkten met dag- of weekcontracten. Er is bovendien geen toelating om tijdens de werken elders een job aan te nemen, zoniet is er de dreiging dat alle al betaalde lonen moeten worden terugbetaald. In een aantal gevallen wordt betaald op basis van hoeveel werk is verricht, dat is bijvoorbeeld het geval met wegenwerkers. Dat stuwt de arbeidstijd de hoogte in, werkdagen van tien uur zijn geen uitzondering. Deze methode werd gebruikt om alsnog een aantal werken op tijd af te krijgen. Als arbeiders hun gezin overbrengen naar Dehli en de vrouwen ook werk zoeken, vinden ze dit maar wel aan lagere lonen. Het officiële minimumloon is 203 Roepee (3 euro) per dag, maar vaak wordt slechts 130 Roepee betaald! Verschillende gezinsleden moeten werken om samen het officiële minimumloon te verdienen.

Het minimumloon volstaat net om de arbeidskracht te reproduceren, het is onvoldoende om een degelijk leven te leiden. Wie iets meer wil, een radio bijvoorbeeld, zal niet met één loon toekomen. Volledige gezinnen werken en verdienen amper iets. Dit is geen vrije keuze, maar een noodzaak voor de gezinnen.

De migratie en lage lonen hebben ook druk gezet op de levensvoorwaarden van de arbeiders. Huisvesting is niet evident, veel gezinnen wonen in tijdelijke vestigingen in de buurt van de werven maar deze zijn amper voorzien op menselijke bewoners. Het onderscheid tussen geschoolde en ongeschoolde arbeiders wordt hierbij verdergezet in de huisvesting: veel ongeschoolde arbeiders moeten het doen met een tentje onder een brug of aan de kant van de weg. Geschoolde arbeiders kunnen tenminste nog in een sloppenwijk of arbeidersbuurt onderdak vinden. Niet dat dit zo’n groot privilege is, het is niet uitzonderlijk dat vier of vijf geschoolde arbeiders een kamer delen.

Volledige gezinnen wonen in tenten onder bruggen en langs de kant van de weg. Dit leidt tot grote gezondheidsproblemen, er is immers geen stromend water. Water is enkel beschikbaar in vuile tonnen die ook worden gebruikt bij de bouwwerken. Waar de werven ver van een centrum liggen, zijn de problemen nog groter. De tentenkampen zijn bovendien niet legaal. Eens de werf is afgewerkt, aarzelen de autoriteiten niet om de kampen uit de weg te ruimen.

Arbeiders verdienen niet genoeg om iedere dag een groot deel van hun inkomen aan transport te besteden. Bovendien wordt in shiften gewerkt waarbij vaak ook ’s nachts wordt gewerkt. Dit maakt een gezinsleven zo goed als onmogelijk. Een term als “sociaal leven” heeft weinig betekenis voor deze arbeiders. Zelfs indien een volledig gezin bijeen woont, is er weinig tijd voor elkaar laat staan “quality time”. Deze arbeiders worden onmenselijk behandeld en hebben een status die amper iets hoger is dan hun gereedschap, maar het is wel hun arbeid die door een toplaag wordt misbruikt om het imago van de “supermacht” en het “semi-ontwikkelde” land in de verf te zetten.