Kapitalisme-debat. Deel 3: de staat van het kapitalisme

In de eerste twee delen van dit dossier werd geantwoord op de pogingen om de gevolgen van het falend systeem onder de mat te vegen. In dit derde en laatste deel wordt de kern van de kwestie behandeld: de staat van het kapitalisme vandaag.

Door Peter Delsing

https://nl.socialisme.be/96475/het-kapitalisme-debat-de-geest-is-uit-de-fles-deel-1-armoede
https://nl.socialisme.be/96479/het-kapitalisme-debat-deel-2-reele-trends-rond-mentaal-welzijn-genegeerd

Dalende winstmarges waren de materiële factor die het neoliberale beleid noodzakelijk maakte voor het kapitaal tegen midden jaren ’70. Het kapitalisme was in een – door de socialist Karl Marx voorspelde – crisis van winstgevendheid beland en begon kenmerken van overaccumulatie in een aantal sectoren te vertonen. Sinds de jaren ’80 volgden aanvallen op de lonen, op de koopkracht van uitkeringen voor werkloosheid, pensioenen … Vanuit een marxistisch oogpunt: de hoeveelheid onbetaalde arbeid – de meerwaarde – moest stijgen om de winstvoeten omhoog te duwen. Dit lukte maar ten koste van ondermijnde koopkracht bij de massa van de loontrekkenden.

Het gevolg van de nieuwe neoliberale periode was een patroon van kapitalistische groeiperiodes die de neiging hadden om steeds zwakker te worden. Het ritme van de investeringen na 1980 was structureel lager dan tijdens de naoorlogse groei omwille van massaal ondermijnde koopkracht en omdat de kapitalisten steeds meer naar de beurzen keken om daar financiële winsten – in de plaats van productieve – te boeken. De gaten werden intussen opgevuld met schulden.

In de VS – het belangrijkste kapitalistische land – vielen de investeringen in machines, materieel, etc. terug van 4% van het BBP in de jaren ’70 naar 3,8% in de jaren ’80, 3% in de jaren ’90 en 2,4% in de jaren 2000. (20) In de jaren 2010 werd de stokkende productiviteitsgroei – een uitdrukking van lage investeringen – een breed uitgesmeerd item in de burgerlijke media. Maar nee, dat de crisis van winstgevendheid er steeds meer een van overaccumulatie, opgepot kapitaal en het decadent opkopen van de eigen beursaandelen was geworden, konden de ideologen van het kapitaal natuurlijk niet in zoveel woorden zeggen. Decennia van loonmatiging hadden de markten fundamenteel ondermijnd.

In België werd de armoede – als je er het werk van Herman Deleeck bijneemt – in de jaren ’80 geschat op 6 à 7%. (21) Ondertussen is het aantal armen – zij die minder dan 60% van het mediaan-inkomen verdienen – gestegen naar 13,2% volgens de criteria voor geldelijke armoede en – volgens de meest recente en bredere Europese criteria – zelfs naar 18,7%. (22) Dit is een fenomeen in de hele ontwikkelde kapitalistische wereld. Maar een gesloten boek voor professionele denkers als Maarten Boudry en Joel De Ceulaer.

Klopt het dan misschien dat de brede middenlagen in de maatschappij er ondertussen wel steeds meer op vooruitgingen? In verband met de VS stelt een artikel in de Financial Times vast: “In 1985 kon een Amerikaan die een typische, voltijdse job uitoefende een gezin van 4 ondersteunen met 40 weken aan inkomen, en was die persoon in staat om te voorzien in voedzaam voedsel, een huis met 3 slaapkamers, een uitgebreide ziekteverzekering, een gezinswagen en kon men zelfs sparen om beide kinderen in een staatsuniversiteit in te schrijven. In 2022 zou voor dit alles betalen 62 weken aan inkomen vereisen, wat een probleem is, aangezien er slechts 52 weken in een jaar zijn.” (23)

Ook dit fenomeen – de daling van de reële lonen – is een internationaal fenomeen. Dezelfde neoliberale politiek had natuurlijk overal dezelfde asociale gevolgen. Het tegendeel verwachten, zou niet bijster logisch zijn. Maar… ook hier vonden burgerlijke economisten wel een weg rond. Wat ze immers meestal doen om de evolutie van de reële lonen te analyseren, is de ontwikkeling van de lonen afzetten tegen de evolutie van de consumptieprijsindex – de officiële inflatie. Klein probleempje: in de inflatie wordt de enorme stijging van de huizenprijzen niet meegerekend. De reden die de gevestigde economen daarvoor geven is: een huis dat je koopt, is niet enkel een consumptie-artikel maar ook een soort investering. Daarom tellen ze het niet mee. Hoewel de kost van wonen natuurlijk een van de grootste, zoniet de grootste maandelijkse uitgave is voor gewone werkenden. En het zijn niet de doorsnee-werkenden die zich bezighouden met korte termijn-investeringen en speculatie in huizen. Dank u, burgerlijke wetenschap en media.

Zo komt het dus dat sociologen dikwijls nog gewag maken van een stagnatie of zelfs stijging van de meeste werknemerslonen in de neoliberale periode sinds de jaren ’80. Terwijl het in werkelijkheid gaat om een fikse val van het reële loon. Voor ons typische voltijdse loon in Amerika van hierboven was een loon dat 100% van een reeks aan basisbehoeften lenigde in 1985 nog maar in staat om 64% hiervan te lenigen in 2022 (als je zou teruggaan tot het reële begin van het neoliberale beleid begin jaren ‘80 zou de terugval in reële koopkracht nog groter zijn). Vandaar de reële dwang van het tweeverdienermodel, waarin beide partners wel moeten werken. Waarbij de vrouw meer dan de man deeltijds gaat werken, onder meer omwille van de bestaande loonkloof.

Zo zou een Amerikaans koppel bv. in de plaats van 64% van een reeks basisbehoeften te consumeren dat voor 100% of zelfs meer kunnen doen – de behoeften uitbreiden – maar wel ten koste van meer stress in en druk op het gezin en op de balans werk-gezin. Nee, wat Paul Verhaeghe over de neoliberale rat race zegt, is er in veel opzichten natuurlijk vlak op: het heeft een materiële basis in de afbraak van onze reële lonen en de langgerekte crisis van het kapitalisme sinds de jaren ‘70. Waar geen gevestigde krant u ooit reëel over zal vertellen – hoe de neoliberale vork nu echt in de steel zit.

In welke mate leidde die crisis van het systeem niet alleen tot meer armoede, maar ook een ondermijning van de middengroepen? In aanzienlijke mate, vertellen de statistieken en inkomensonderzoek ons. In 2022 leefde 61% van de Amerikanen van loonbrief naar loonbrief, zonder reëel te kunnen sparen. (24) Gemiddeld had een Amerikaans gezin een totale hoeveelheid spaargeld van 8.863 dollar in 2016. Aangezien dit een gemiddelde is en vooral de rijksten kunnen sparen, heeft een meerderheid van de Amerikaanse gezinnen maar een relatief kleine buffer opgebouwd tegen financiële tegenslagen. De hoeveelheid spaargeld van de individuele Amerikanen op de mediaan lag op 4500 dollar in april 2022. (25) Elke nieuwe generatie die sinds 1980 – het moment van de neoliberale omslag naar loonmatiging en afbraak van openbare diensten – op de arbeidsmarkt kwam, kon minder spaargeld als buffer opzij zetten. 60% van de millennials – geboren tussen de vroege jaren ’80 en de late jaren ’90 – kon volgens deze studie geen onverwachte uitgave van 1000 dollar aan! (26)

De spaarquote in de VS – hoeveel Amerikanen kunnen sparen van hun beschikbaar inkomen – duikt na de crisis van het kapitalisme midden jaren ’70 en de neoliberale aanvallen op de lonen en uitkeringen naar beneden.

Dit was, evident, geen “generatiestrijd”, maar een klassenstrijd van de rijkste 1%, het kapitaal en hun media tegen de meerderheid van de bevolking, haar lonen en arbeidsvoorwaarden. Desalniettemin moet je zeggen dat, door het uitzonderlijk langgerekte karakter van de crisis – vooral omwille van het openkomen van Oost-Europa en China voor kapitalistische uitbuiting sinds de jaren ’90 – er een meer welgestelde, dikwijls oudere laag van ongeveer 25 à 30% van de bevolking bestaat – waaronder een laag van bovengemiddeld verdienende loontrekkenden – in landen als België die het neoliberale ideeëngoed is gaan overnemen. Dit verklaart de steun bij verkiezingen voor partijen als de N-VA, de Tories in Engeland, een figuur als Macron in Frankrijk … Marxisten waarschuwen echter dat ook een groot deel van deze beter verdienende of meer welvarende lagen onvermijdelijk zal geraakt worden door de economische, klimaat- en geopolitieke schokken van een kapitalisme dat op de limieten van z’n ontwikkeling botst. Kijk bijvoorbeeld naar de aderlating aan beter betaalde jobs in de technologiesector in de VS en de impact hiervan op lokale economieën in bv. San Francisco. Enkel de strijd van de werkende klasse tegen het kapitalisme kan een reële uitweg bieden voor de grote meerderheid van de bevolking, ook de kleine zelfstandigen.

De middengroepen onder druk

Om te weten of een brede meerderheid de levensstandaard zag stijgen of dalen in de neoliberale periode kan je naar twee zaken kijken: de evolutie van het mediaan gezinsinkomen en die van de mediaan rijkdom. De mediaan wordt vertegenwoordigd door het 50e gezin op 100 op de schaal van arm naar rijk. Volgens de Federal Reserve-afdeling in Saint-Louis in de VS is het reële mediaan gezinsinkomen in de VS tussen 1985 en 2020 gestegen van 56.871 dollar naar 71.186 dollar. (27) Een groei van iets meer dan 25% over 35 jaar tijd. Maar… zoals gezegd gebeurt deze berekening op basis van een consumptieprijsindex die de huizenprijsinflatie niet meerekent. Volgens de grafiek hierboven zijn de kosten voor wonen in de VS tussen 1995 en 2017 met bijna 50% gestegen! Maar die stijging – en de stijging zou nog meer uitgesproken zijn als je teruggaat tot het begin van de crisis – wordt niet adequaat in rekening gebracht in de inflatiecijfers van de Federal Reserve. Als je dat wel zou doen, kom je uit bij een scherpe daling van de reële lonen, zoals in het reeds aangehaalde voorbeeld uit de Financial Times.

Sociologen als Ive Marx in België komen op basis van dit soort eenzijdige analyses tot de conclusie dat de meeste reële gezinsinkomens – zelfs in de neoliberale periode – nog een reële stijging kenden. (28) Proletarische Factcheck: zolang de berekening van de reële lonen – in de VS, België en elders – niet de volledige inflatie weerspiegelt, in het bijzonder de explosief gestegen huizenprijzen, zijn uitspraken over een stijging van het “reële” gezinsinkomen van de meerderheid ongefundeerd en missen ze een wetenschappelijke basis. De berg aan cijfermateriaal over het verminderde spaarvermogen van de meeste gezinnen, bijvoorbeeld in de EU (zie verder), wijst erop dat we eerder te maken hebben met een daling van de meeste reële gezinsinkomens.

Laat ons kijken naar rijkdom in het algemeen. Volgens het Congressional Budget Office in de VS steeg de rijkdom van de armste helft van de gezinnen tussen 1989 en 2019 van 1,4 biljoen dollar naar 2,3 biljoen dollar. (29) Zelfs als je er rekening mee houdt dat dit vermogen over een groter aantal gezinnen wordt verdeeld in 2019, toont deze studie aan dat het waarschijnlijk is dat een meerderheid in de VS – op basis van voornamelijk huisbezit, de belangrijkste bron van vermogen voor loontrekkenden – een zekere stijging van de rijkdom kende. Grotendeels op papier echter voor deze huizenbezitters en niet in de realiteit, zolang men de woning niet verkoopt.

Dat wil zeggen: de stijging in vermogen voor de meerderheid is bijna uitsluitend het resultaat van een woningzeepbel die in alle ontwikkelde kapitalistische landen tot in het absurde werd doorgetrokken, als deel van een crisispolitiek die bij elke recessie de kredietkranen opentrok en lenen zeer goedkoop maakte. Een politiek die vandaag de scherpe omslag naar duurder lenen noodzakelijk maakt voor het systeem. Een huizenprijscorrectie en mogelijk zelfs -crash – die potentieel ingebakken zit in het beëindigen van de periode van “goedkoop lenen” en het perspectief van meer regelmatige recessies – kan de vooruitgang op papier qua vermogen voor de meerderheid ook weer beginnen wegvegen.

De armste 25% in de VS had meer schulden dan bezittingen. Het CBO stelt bovendien: “Sinds de jaren ’50 hadden opeenvolgende generaties telkens minder welvaart dan gezinnen van de voorgaande generatie op dezelfde leeftijd.” (!) Op de arbeidsmarkt terechtkomen tijdens de langgerekte crisis van het kapitalisme sinds de jaren ’70 had qua inkomen steeds zwaardere gevolgen. De meerderheid van de gezinnen zag wellicht – door het langgerekte karakter van de crisis en de zeepbel in huizenprijzen hoofdzakelijk – het eigen vermogen toenemen, maar dit ging ten koste van kleinere reserves en een kleiner spaarvermogen.

Werkenden die net na WOII opgroeiden kenden meer financiële stabiliteit, maar dit hing volledig af van het stadium van de kapitalistische cyclus op dat moment. In de komende periode zal dit systeem veel meer via schokken evolueren – een terugkeer naar de instabiele kapitalistische norm tussen 1914 en 1945 – wat de welvaart van elke generatie van werkenden of kleine zelfstandigen dreigt aan te tasten.

Uiteraard werden de groeiende armoede en de kleinere financiële buffers niet door migratie veroorzaakt – zoals uiterst-rechts en rechtse populisten beweren – maar door een verhoging van de uitbuitingsgraad door het kapitaal sinds de jaren ’80. Er is ook een laag van bovengemiddeld verdienende loontrekkenden, zelfstandigen,… die de rijkdom sterker zag stijgen. De grote sprong in rijkdom zit in de VS echter bij de rijkste 10% en daarbinnen vooral bij de rijkste 1% (zie grafiek, zelfde bron).

De feiten wijzen erop dat de aanvallen op de reële lonen de werkenden een – voor de meerderheid – verplicht tweeverdienermodel hebben opgelegd en dat zelfs in deze situatie een meerderheid van de gezinnen – in de VS alvast – niet in staat is om reëel te sparen. Het spaarvermogen werd ondermijnd in de neoliberale periode. Enkel een beperkte laag die erin slaagt om op tijd van de huizenprijsinflatie te profiteren om met profijt de eigen woning door te verkopen of mensen die tot hoogste inkomenscategorieën behoren konden deze situatie keren. Deze evoluties waren het resultaat van decennia van kapitalistische loonmatiging waarbij, in de realiteit, de lonen de stijgende prijzen niet konden volgen, om de winstmarges van de bazen weer de hoogte in te duwen.  

Misschien is de VS een extreem geval van de groeiende kloof tussen arm en rijk, van zelfs bij bovengemiddeld welvarende gezinnen een maar matige capaciteit om te sparen, etc. en is de situatie in Europa beter? Laat ons eens kijken naar het vroeger door sociaaldemocraten gevierde “Rijnlandmodel”, met zijn Europese welvaartstaat en meer uitgebreide sociale zekerheid. Hoeveel blijft daar na vier decennia van neoliberale ondermijning van koopkracht en uitkeringen van over?

In buurland Nederland is die vermeende welvaartstaat serieus afgekalfd, zo blijkt. In een artikel in de Groene Amsterdammer over “financiële fragiliteit” uit 2017 – nog voor de pandemie en de recente inflatieschok – wordt de kat de bel aangebonden: “In 2015 rapporteerde het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting dat een vijfde van de Nederlandse huishoudens momenteel geen enkele financiële reserves heeft. Nog eens dertig procent heeft een buffer van minder dan tweeduizend euro.” (…) (30)

De Groene Amsterdammer citeert de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over “De val van de middenklasse?”: “Veel van de mensen in de middengroepen weten nog altijd alle ballen in de lucht te houden. ‘Maar om die stabiliteit in inkomenspositie te verwerven, zijn wel vaker twee banen nodig, en steeds vaker betreft het flexibele banen’, stelt de WRR.” Inderdaad! En verder: “Pas als door baanverlies of andere tegenslag de balans tussen inkomsten en uitgaven uit het lood slaat, wordt de financiële kwetsbaarheid van deze groep plotseling merkbaar. Dan blijkt er sprake te zijn geweest van financieel koorddansen.”

Dit is voor het winstbeluste patronaat ook de inzet van de huidige strijd bij Delhaize: de veralgemening van een extreem lageloonmodel dat in Nederland en Duitsland al bestaat – nog meer dan in België – en leidt tot minimale of onbestaande financiële marges.

Wat met dat andere buurland, Duitsland, de economische motor van de Europese Unie? Volgens een Duitse academische studie van enkele jaren geleden – in de periode van de pandemie – kan 30,9% van de Duitsers boven de 30 jaar geen 2000 euro voor een uitzonderlijke uitgave dragen, in het economisch “sterkste” land van de EU. (31) In 2009, net na de voorgaande economische recessie, kon een onwaarschijnlijke 50,5% zich geen uitzonderlijke uitgave van 1500 euro permitteren. (idem) En dat in de vermeende motor van het Europese kapitalisme! Dit geeft een indicatie van de voorgaande neoliberale aanvallen en de veralgemening van laag betaalde jobs in Duitsland. Het toont aan hoe werkenden tussen de recessies door proberen om hun kleiner geworden financiële buffers wat te vergroten, tot de volgende economische crisis toeslaat. In Duitsland bestond daarvoor meer marge dan in de zwakkere economieën in Zuid- of Oost-Europa, zoals we hieronder zullen zien.

Een studie uit 2013 stelt dat de rijkste 10% in Duitsland 60% van het maandelijks gespaarde inkomen vertegenwoordigt. (32) De laagste 30% geeft gemiddeld meer uit dan het eigen inkomen (door op gespaard geld te teren, op krediet te kopen …), de daarop volgende vierde en vijfde decielen sparen gemiddeld minder dan 100 euro per maand en het zesde deciel ongeveer 100 euro per maand. De rijkste 1%, daarentegen, spaarde gemiddeld bijna 5000 euro van het maandelijkse inkomen.

Hoe staat het met de financiële fragiliteit meer algemeen in Europa? In 2018 stelde 1/3e van de EU-gezinnen geen “uitzonderlijke uitgave” aan te kunnen, in een studie voor de EU zelf. (33) Voor een zestal landen – waaronder Griekenland, Roemenië en Kroatië – is dat 1 op de 2. In Spanje en het Verenigd Koninkrijk ligt dit in 2018 op 35%. In Duitsland op 28%. In meer dan de helft van de EU-landen heeft het gezin op de mediaan – het 50e gezin op 100 – spaartegoeden van minder dan 5000 euro. Nog anders uitgedrukt: in meer dan de helft van de EU-landen hebben de gezinnen spaartegoeden die minder dan 2 maanden aan inkomen vertegenwoordigen.

Hoe evolueerden de mediaan spaartegoeden in de tijd? Volgens dezelfde EU-studie daalden de mediaan spaartegoeden tussen 2009-2011 en 2017 – uitgedrukt in maanden inkomen – voor meer dan de helft van de EU-landen. En dit was dan nog een studie van voor de recente inflatie- en energieschok.

Hoe staan we er in België zelf voor? Zoals gezegd was er een verdubbeling van de officiële armoede tijdens vier neoliberaal kapitalistische decennia. Een enquête uit 2017 geeft aan dat 1 op de 3 Belgen het jaar voordien niet kon sparen. (34) 29% van alle gezinnen beschikt als spaargeld over minder dan een netto maandelijks gezinsinkomen.

Een Oeso-studie uit 2019 vat een aantal van deze crisistendenzen samen. De Oeso is een representatieve club van overwegend ontwikkelde kapitalistische landen. De studie heet “Onder druk: de uitgeperste middenklasse” en waarschuwt van meet af aan dat de toegenomen financiële druk op de middengroepen de stabiliteit van het kapitalisme bedreigt. (35) De verwijzing van de Oeso naar “middenklasse” is vanuit een marxistisch standpunt grotendeels verkeerd. De middeninkomens waarnaar wordt verwezen, bestaan hoofdzakelijk uit gezinnen die afhankelijk zijn van loonarbeid. De middenklasse die nog zelf haar productiemiddelen bezit, is in vergelijking met de jaren ’30 veel kleiner geworden. De groep loontrekkenden is vandaag de grote meerderheid van de bevolking en niet “de middenklasse”.

Los daarvan zijn de resultaten die de Oeso-studie verzamelt opvallend. Het rapport bevestigt dat “de kosten voor essentiële onderdelen van een levensstijl die kenmerkend is voor de middengroepen sneller stegen dan de inflatie: de huizenprijzen groeiden 3 keer sneller dan het mediaan-gezinsinkomen gedurende de laatste 2 decennia”. (…) En zodoende: “De kost van een middenklasse-levensstijl stijgt sneller dan de middeninkomens zelf”. Verder merken de onderzoekers de volgende trend op: “Er zijn minder kansen voor mensen uit de middengroepen en hun kinderen om de sociale ladder op te klimmen en er is meer kans om naar beneden te glijden”. Exact! Dat verklaart op een materiële marxistische basis de toegenomen politieke instabiliteit en de zoektocht naar de anti-establishment uitersten. Extreemrechts draagt daarbij wel de mantel van “anti-establishment” maar is dat natuurlijk niet: overal waar het aan de macht komt, gaat de politiek in dienst van het kapitaal verder en worden dikwijls harde aanvallen ingezet op de armere lagen van de werkende klasse.

“Deze risico’s [van neerwaartse sociale mobiliteit – PD] namen tijdens de laatste 2 decennia toe in vele Oeso-landen.” (…) En verder: “De groeiende kosten van wonen en andere goederen en diensten verminderen het vermogen om te sparen en dit zet de financiële middelen van gezinnen met een middeninkomen onder druk.” In haar studies voor eigen gebruik is de burgerij alvast een stuk genuanceerder en sterker gehecht aan de waarheid dan in De Morgen, een krant die al een tijdje in handen is van de liberale mediatycoon Christian Van Thillo.

Van de 24 landen waarvoor de Oeso over gegevens beschikt, stelt 1 op de 2 gezinnen met een middeninkomen dat ze het “moeilijk hebben om de eindjes aan mekaar te knopen”. In Zuid-Europese landen ligt dat aantal hoger, in de sterkere noordelijke economieën lager. Maar op basis van dit systeem in crisis toont – bij blijvend voortbestaan van het kapitalisme – het zuiden helaas de weg die ook noordelijk Europa dreigt af te leggen. Tenzij de werkende klasse en de jongeren op basis van massastrijd het kapitalisme omverwerpen en vervangen door een systeem van economische planning, steunend op radendemocratie in de werkplaatsen en op elk niveau van een nieuwe socialistische samenleving.

Karl Marx analyseerde in het 19e eeuwse Engeland een aantal tendentiële wetten van het kapitalisme die ook in de 20e en 21e eeuw hun geldigheid niet hebben verloren. De concentratie en centralisatie van kapitaal in steeds minder handen, de neiging om meer te investeren in arbeidsuitstotende technologie dan in arbeidskrachten die de meerwaarde voortbrengen, de daardoor in historisch opzicht dalende tendens van de winstmarges (een tendens die tijdelijk kan worden gekeerd door in de lonen en uitkeringen te snijden, zoals in de neoliberale periode), een tendens naar overaccumulatie van kapitaal door de ontwikkeling van een productiecapaciteit die de markt overstijgt (versterkt door de beperking van de koopkracht van de werkenden), groeiende armoede en sterkere tegenstellingen tussen arm en rijk als gevolg van al deze processen … De ideeën van Marx zijn vandaag nog brandend actueel omdat ze een instrument bieden dat de huidige crisissen veel beter verklaart dan om het even welke andere theorie. Het is “dogmatisch” en getuigt van blindheid voor historische processen om een kapitalistische vooruitgangsmythe aan te hangen die reeds decennia door de economische en sociale feiten is achterhaald.

Zonder de door Marx geperfectioneerde arbeidswaardetheorie – door de burgerlijke “wetenschap” reeds lang overboord gegooid – kunnen de terugkerende en dieper wordende crisissen van het kapitalisme niet worden verklaard. Om de reële trends in het leven van werkenden en jongeren te kunnen analyseren en verklaren, zullen we een eigen pers en media – gebaseerd op de belangen van de arbeidersbeweging – moeten uitbouwen.

Voetnoten

(20 )The Endless Crisis, p.29 – John-Bellamy Foster

 (21) De Architectuur van de Welvaartsstaat Opnieuw Bekeken, p.329-330 – Herman Deleeck

 (22) https://statbel.fgov.be/nl/themas/huishoudens/armoede-en-levensomstandigheden/risico-op-armoede-sociale-uitsluiting

(23) ‘Ordinary Americans are counting the cost of thriving” – Oren Cass (Financial Times, 13/2/23)  https://on.ft.com/45eK1DU

(24) “The number of consumers living paycheck to paycheck has increased year over year across all income levels” – PR Newswire, 1/8/22 https://www.prnewswire.com/news-releases/the-number-of-consumers-living-paycheck-to-paycheck-has-increased-year-over-year-across-all-income-levels-301596552.html

(25) Mean and Median Amount of Personal Savings in the US, 2022 – Statista, 9/1/23 https://www.statista.com/statistics/1356265/mean-and-median-amount-of-savings-in-the-us-by-type/

(26) “This chart shows how much money Americans have in their savings account at every age” – Emmie Martin (12/3/19, CNBC) https://www.cnbc.com/2019/03/11/how-much-money-americans-have-in-their-savings-accounts-at-every-age.html

(27) Real Median Household Income in the United States https://fred.stlouisfed.org/series/MEHOINUSA672N

(28) “De middenklasse zaagt en klaagt maar wordt nergens zo goed bediend als in België” – Ewald Pironet (10/4/18)

Ive Marx pleit in dit interview ook voor een veralgemening van lageloonjobs zoals in Nederland en Duitsland. Hoe meer financiële onzekerheid voor werkenden, hoe beter volgens deze vrijemarktdenker. https://www.knack.be/nieuws/ive-marx-de-middenklasse-zaagt-en-klaagt-maar-wordt-nergens-zo-goed-bediend-als-in-belgie/

(29) Trends in the distribution of family wealth, 1989 to 2019 – Congressional Budget Office, September 2022 https://www.cbo.gov/publication/58533

(30) “Schaatsen op dun ijs” – Sacha Hilhorst en Casper Thomas (De Groene Amsterdammer, 26/7/17) https://www.groene.nl/artikel/schaatsen-op-dun-ijs

(31) Households’ Financial Fragility during the Covid 19 Pandemic in Germany – Marius Cziriak (ZEW Discussion Paper, 2022) https://www.zew.de/en/publications/households-financial-fragility-during-the-covid-19-pandemic-in-germany-1

(32) The Distribution of Household Savings in Germany, p. 8 – Jochen Spät, Kai Daniel Schmid (Hans Böckler Stiftung, September 2016)

(33) The Financial Fragility of European Households in the Time of Covid-19 – Maria Demertzis, Marta Dominguez-Jimenez, Annamaria Lusardi (Policy Contribution, Issue 15, July 2020)

(34) “Een op de drie Belgen heeft het afgelopen jaar niet gespaard” (27/3/17, VRTNWS) https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/03/27/een_op_de_drie_belgenheefthetafgelopenjaarnietgespaard-1-2932090/

(35) Under Pressure: the Squeezed Middle Class – May 2019, OECD, https://www.oecd.org/social/under-pressure-the-squeezed-middle-class-689afed1-en.htm