Sri Lanka. Een geschiedenis van verdelen om te heersen
Als internationalisten zijn we ook in ons land actief in de solidariteit met de Tamil-bevolking die door een jarenlange discriminatie en burgeroorlog uit Sri Lanka is gevlucht. We steunen hun verzet tegen nationale onderdrukking en verdedigen een programma van arbeiderseenheid, zoals dit in Sri Lanka door de United Socialist Party naar voor wordt gebracht. We publiceren vandaag en de komende dagen enkele artikels waarin we onze analyses verduidelijken.
Deel 1. Wat voorafging
Koloniale en neo-koloniale verdeel-en-heers
De Britse kolonisatoren hebben hun traditionele verdeel-en-heerspolitiek in Azië ook in Sri Lanka gevoerd. Er werd ingespeeld op verdeeldheid tussen de Singalese en de Tamil bevolking en binnen deze verschillende bevolkingsgroepen ook op verdeeldheid op basis van kaste. De onafhankelijkheidsstrijd werd door alle lagen van de bevolking gevoerd, maar na de onafhankelijkheid in 1948 werd enkel het Singalees als taal erkend. Alle beloften om ook het Tamil als taal te erkennen, werden gebroken.
Binnen de Tamilgemeenschap was er verdeeldheid over welk standpunt moest worden ingenomen en hoe de strijd voor gelijke rechten moest worden gevoerd. Een aantal Tamilleiders stelde dat er een 50-50 vertegenwoordiging moest zijn, ook al was de verhouding onder de bevolking eerder 70-30. Een deel van de Tamil-elite, van de hogere kasten, verdedigde het idee dat aansluiting moest worden gezocht bij een deel van de Singalese elite en meer bepaald bij de rechtse United National Party (UNP) dat onmiddellijk na de onafhankelijkheid de sterkste politieke factor in het parlement was en enkel dankzij de steun van een deel van de Tamil-elite rond Ponnambalam een meerderheid kon vormen.
De arbeidersbeweging beschikte over een eigen partij met de Lanka Sama Samaja Party (LSSP), een in 1935 opgerichte partij met een brede steun onder de bevolking en een aantal trotskistische invloeden. De LSSP stond voor gelijke rechten en groeide snel aan in de onafhankelijkheidsstrijd. Colvin R de Silva verklaarde in 1956 in het parlement het standpunt van de LSSP: “Een taal, twee landen. Twee talen, één land.” Als de rechten van de Tamil-minderheid niet zouden worden erkend, dan zou dit leiden tot een onafhankelijkheidsstrijd onder de Tamilbevolking. Deze uitspraak is 55 jaar nadat ze is gedaan nog steeds brandend actueel.
De Singalese elite deed na de onafhankelijkheid steeds meer beroep op een chauvinistische positie om de eigen macht uit te bouwen en de aandacht af te leiden van de sociaal-economische problemen die niet waren opgelost door de loutere onafhankelijkheid van het land. Het openlijke kolonialisme was vervangen door neo-kolonialisme en de uitbuiting van de overgrote meerderheid van de bevolking bleef dezelfde. Dat was de voedingsbodem voor een grotere steun voor een nationalistisch Singalees standpunt. Enkel de LSSP en de Communistische Partij voerden campagne tegen de “Sinhala Only Act” in het parlement.
Een deel van de LSSP-leiding probeerde samen te werken met de gematigde linkerzijde die in 1951 van de UNP afsplitste om de Sri Lanka Freedom Party (SLFP) te vormen onder leiding van Bandaranayaka. In die partij was ook de vader van de huidige president actief. De partij wijzigde al snel haar standpunt over de Tamil-kwestie en nam midden jaren 1950 een “Sinhala only” standpunt in. De SLFP stelde zich voor als de belangrijkste verdediger van de Boedhisten tegen de christenen en de Tamils in. In 1956 werd Bandaranayaka premier met de steun van de LSSP en de CP. Er werd enkel in vage woorden over socialisme gesproken en de Tamil-taal werd niet erkend. Bij etnische rellen in 1958 (gericht tegen een congres van de radicalere Tamilpartij Federal Party in Vavuniya) vielen tientallen doden en de regering deed daar niets aan. De LSSP verloor met haar steun aan Bandaranayaka in 1956 een deel van het krediet dat ze had opgebouwd in de algemene staking van 1953. De partij zat dan wel in de oppositie en verzette zich tegen het Singalees chauvinisme, maar de steun aan de premier toonde het failliet van de oude LSSP-leiding.
Falen van links
Begin jaren 1960 was er in de SLFP een radicalisering naar links door druk van onderuit. De regeringspartij ging over tot het nationaliseren van een aantal oliebedrijven. Dat was deels een poging om de opmars van het United Left Front (ULF), een front van de bestaande linkse partijen zoals LSSP, CP en een van de LSSP afgesplitste partij, te stoppen. Anderzijds was er ook druk van onderuit in navolging van de revolutionaire golf die door de regio trok met onder meer de Pakistaanse revolutie van 1968 en ander massaprotest als uitdrukking van een radicalisering.
Linkse leiders werden ministerposten aangeboden en in 1964 trad de LSSP toe tot een regering met de SLFP. Het failliet was nu compleet. Een minderheid was het niet eens met deze beslissing en vormde de LSSP (Revolutionary). De LSSP werd ook uit de Vierde Internationale gezet. Het eerste regeringsavontuur was van korte duur, maar kreeg navolging in 1970.
Dit was het failliet van het linkse reformisme van de LSSP-leiding die probeerde om via parlementaire weg toegevingen te bekomen en hervormen te onderhandelen en daartoe meermaals een nationalistisch standpunt innam. Een deel van de Tamil-elite dacht evenzeer vooruitgang te kunnen boeken op basis van onderhandelingen en strategische allianties met de Singalese rechterzijde van de UNP.
De “linkse” regering voerde een aantal nationalisaties door, maar bood geen antwoord op de nationale kwestie. Meer nog, met de LSSP en Colvin R de Silva als minister werd een nieuwe grondwet opgesteld waarin het boeddhisme de officiële godsdienst van het land werd. De Tamilbevolking kreeg geen rechten. Dat zorgde voor een radicalisering onder de Tamilbevolking waarbij de Singalese linkerzijde amper banden had met de jonge generatie Tamils. Onder de radicaliserende Singalese jongeren was er een brede steun voor Het Volksbevrijdingsfront (JVP) dat een marxistisch klinkende retoriek koppelde aan Singalees chauvinisme. Een opstand van de JVP in 1971 mislukte.
Een aantal Tamils ging over tot meer radicalere strijd met gewapende opstand en er was zelfs een zekere maoïstische invloed. De Tamil-elite probeerde de brokken te lijmen door een Verenigd Tamil Front te vormen, maar dat hield de radicalisering van onderuit niet tegen. Er ontstonden tal van groepen, de LTTE (Liberation Tigers of Tamil Eelam) was er een van.
Neoliberaal offensief en burgeroorlog
In 1977 werd de linkse regering weg gestemd. De UNP onder leiding van Jayawardana kwam aan de macht met een neoliberaal programma. Er werd ingespeeld op een ongenoegen tegenover tekorten in de winkels en de onderdrukking van de Tamilbevolking. Er werden beperkte toegevingen gedaan aan de Tamilbevolking, maar dat volstond niet als antwoord op de radicalisering onder de jonge generaties.
Na 1977 werd een nieuwe socialistische partij gevormd, de NSSP (Nava Sama Samaja Party). Dat gebeurde onder invloed van een aantal jonge militanten die een bewuste marxistische politiek wilden voeren en tussen 1970 en 1977 interne oppositie voerden met de Vama groep (linkse groep) binnen de LSSP. Onder hen Siritunga Jayasuriya (Siri) die vandaag een leidinggevend lid van het CWI is, maar ook leiders als Vasu en Bahu. Het falen van de oude linkerzijde en de opkomst van een nieuwe linkerzijde samen met een radicalisering onder zowel Singalese als Tamil-arbeiders en armen vormde een nieuw element.
De rechtse regering had een twee derde meerderheid in het parlement en bracht meteen een voorstel tot een repressieve grondwet naar voor. Premier Jayawardena nam eerder de rol van een burgerlijke bonapartistische dictator aan waarbij ook iedere vorm van oppositie de kop werd ingedrukt.
In juli 1980 was er een algemene staking waarin de NSSP-militanten een belangrijke rol speelden. De staking kwam er nadat de regering besliste om 60.000 ambtenaren af te danken. De regering deed beroep op nationalisten om de staking te breken en trad zelf ook bijzonder repressief op. De harde repressie maakte het moeilijk om een overwinning te bekomen. De nederlaag had zware gevolgen voor de NSSP.
Het is in de nasleep van de nederlaag van de algemene staking van 1980 dat in juli 1983 een maand van geweld plaats vond waar de arbeidersbeweging onvoldoende op kon antwoorden. Er waren aanslagen op Tamils en dat werd ondersteund door verschillende ministers. Tamils werden levend verbrand, winkels en huizen van Tamils werden verwoest. De regering maakte van de rellen gebruik om de JVP en de NSSP te verbieden. De CP was eveneens twee weken verboden. De vervolging van de NSSP-leiders ging ver en ze moesten ondergronds werken. Het geweld tegen de Tamils versterkte de burgeroorlog, het verbod van de linkerzijde maakte het moeilijk om te reageren.
Hoe opkomen voor arbeiderseenheid?
Binnen de verzwakte NSSP was er verwarring over de houding die moest worden aangenomen in de strijd van de Tamilbevolking. Er waren pogingen om aansluiting te vinden bij de radicaliserende Tamils, maar een deel van de NSSP-leiding rond Bahu had illusies in de “progressieve” Indische kapitalisten met kritische steun aan het Indisch-Sri Lankese akkoord van 1987 en de Indische Vredestroepen. Dat leidde tot een breuk tussen de meerderheid van de NSSP en een minderheid die ook na de splitsing deel zou blijven uitmaken van het CWI, de internationale organisatie waartoe LSP in België behoort.
Het debat van de jaren 1980 blijft actueel aangezien de nationale kwestie nog steeds niet is opgelost. De militaire overwinning van de Singalese elite kan de strijd van de Tamils tijdelijk naar de achtergrond duwen, maar het ontbreken van gelijke rechten en het bestaan van discriminatie blijft een gegeven dat tot uitbarstingen kan leiden.
De minderheid in de NSSP en het CWI hebben steeds de noodzaak verdedigd van eengemaakt verzet en het koppelen van de nationale kwestie aan de strijd voor socialisme. Ontwikkeling op basis het kapitalisme zal er niet komen in neokoloniale landen als Sri Lanka. In de neokoloniale wereld is een socialistische revolutie van arbeiders en boeren nodig om de democratische taken van een revolutie tot het goed einde te brengen, de kapitalistische klasse in de neokoloniale landen is daar te zwak voor.