Ramp in Bangladesh toont barbarij van het kapitalisme

De instorting van een textielfabriek in het Rana Plaza in Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh, leidde volgens officiële cijfers tot 1.127 doden en ongeveer 2.500 gewonden. Het leidde ook tot hernieuwd arbeidersprotest in Bangladesh en tot verontwaardiging in het Westen. De ramp maakte duidelijk dat miljoenen Bengaalse arbeiders voor een hongerloon in onveilige omstandigheden voor grote textielconcerns werken.

Artikel door Geert Cool uit de juni-editie van ‘De Linkse Socialist’

Lage lonen en onveiligheid

De textielindustrie is de belangrijkste sector van Bangladesh, de export van textiel is goed voor ongeveer 80% van de totale export. Er werken ongeveer 4 miljoen mensen in de sector die goed is voor een jaarlijkse omzet van 19 miljard dollar. De sector werd wereldwijd als een voorbeeld gezien omdat de meeste fabrieken eigendom zijn van lokale investeerders. Het gaat echter om bedrijven die werken voor grote textielconcerns die het vuile werk aan lokale onderaannemers overlaten. Daarnaast is er ook een opmars van Chinese bedrijven in de sector. Deze bedrijven verlaten China omdat de lonen in Bangladesh nog lager liggen.

Het personeel in de sector kent bijzonder lage lonen. Een maandloon van 30 euro is niet uitzonderlijk laag. Het officiële minimumloon van 30 euro kwam er in 2010 na aanhoudend arbeidersprotest. Armoede is een algemeen voorkomend fenomeen, zelfs volgens de officiële cijfers leeft meer dan de helft van de 150 miljoen Bengalen in armoede. Het armoedig loon in de textielsector wordt gecombineerd met onveilige arbeidsomstandigheden. Arbeidsongevallen zijn schering en inslag, bovendien blijken de fabrieken zelf ook niet veilig te zijn. De ramp door de instorting van het Rana Plaza was geen alleenstaand geval, op 26 november vorig jaar was er nog een fabrieksbrand waarbij 112 textielarbeiders omkwamen. Het bedrijf in kwestie leverde onder meer aan C&A.

Arbeiders in verzet

Er is een traditie van arbeidersstrijd in Bangladesh. Het wordt vakbonden niet gemakkelijk gemaakt. Vorig jaar nog werd een syndicalist vermoord omwille van zijn vakbondsactiviteiten. De afgelopen jaren waren er tal van betogingen en acties van textielpersoneel, onder meer om achterstallige lonen op te eisen of om voor betere arbeidsomstandigheden op te komen. Vorig jaar gingen patroons van drie bedrijven over tot een lock-out waarbij 6.600 personeelsleden op straat werden gezet omdat ze staakten voor de betaling van achterstallige lonen en voor loonsverhoging.

De ramp in het Rana Plaza leidde tot hernieuwd en eengemaakt arbeidersprotest met grote betogingen in Dhaka in de loop van de maand mei, er werd onder meer gestaakt bij bedrijven die leveren aan H&M. Dat de regering de beloften van verbeterde veiligheid niet ernstig neemt, blijkt uit de harde repressie die de stakende arbeiders te beurt viel. Op dat vlak is de nieuwe ‘linkse’ regering niet anders dan de vorige rechtse regering.

Schone kleren?

De goedkope productie in Bangladesh versterkt de winsten van grote bedrijven als H&M, dat vorig jaar goed was voor een wereldwijde winst van 1,96 miljard euro. Die winst bedraagt meer dan het totale jaarloon van de 4 miljoen textielarbeiders in Bangladesh bij elkaar. Het is niet correct om te denken dat een loonsverhoging in Bangladesh noodzakelijkerwijze betekent dat kledij bij ons duurder zou worden. Tenzij de winsten op peil moeten blijven natuurlijk… Maar al te vaak wordt geprobeerd om ons verantwoordelijk te laten voelen voor de misdaden die multinationals in de neokoloniale wereld aanrichten.

De mediabelangstelling voor de ramp in Dhaka leidde tot een verklaring van verschillende textielbedrijven dat ze enkel ‘schone kleren’ zouden aanbieden, daarmee bedoelen ze kledij die niet in onmenselijke omstandigheden is geproduceerd. Het probleem is echter dat dit vaak moeilijk te controleren valt gezien de vele vormen van onderaanneming. Om degelijke arbeids- en loonsomstandigheden af te dwingen, is er nood aan sterke vakbonden die internationaal samenwerken. Om volledige controle te kunnen hebben op de omstandigheden in de fabrieken moet de sector in publieke handen komen. Enkel dan zullen niet de winsten centraal staan, maar de behoeften van zowel de arbeiders in de sector als de gemeenschap in het algemeen.

Politiek alternatief nodig

Het protest van de textielarbeiders komt amper enige maanden na een harde en bloedige confrontatie tussen hoofdzakelijk jonge betogers en de machtige islamfundamentalisten die ook een grote economische macht hebben. De nieuwe regering van de Awami League begon met de vervolging van enkele topfiguren van de fundamentalisten wegens hun bloedige rol in de onafhankelijkheidsstrijd in 1973. Dat leidde tot vergeldingsacties die op hun beurt een massabeweging met tot een miljoen betogers op de been bracht.

De eigenaar van het Rana Plaza had banden met zowel de rechtse oppositiepartij BNP als de heersende Awami League. Beide partijen probeerden voordeel te halen uit de ramp en er gebruik van te maken in de aanhoudende gewelddadige onderlinge confrontaties. De Awami League maakte meteen van de gelegenheid gebruik om een algemeen betogingsverbod op te leggen, waardoor ook het arbeidersprotest moeilijker wordt.

De arbeiders en armen in Bangladesh zullen moeten bouwen aan een eigen politiek instrument waarmee ze de strijd tegen het kapitalisme kunnen versterken. Op de gevestigde partijen, de handlangers van de textielbazen, kunnen ze immers niet rekenen. Door te bouwen aan een politiek alternatief gewapend met een socialistisch programma zouden de Bengaalse massa’s de strijd tegen onderdrukking en uitbuiting die ook in de jaren 1970 werd gevoerd tot de noodzakelijke conclusie van maatschappijverandering kunnen brengen.