Analyse. Kan Pakistan een theocratische staat worden?
Na de moord op Salman Taseer, de gouverneur van Punjab, kwamen er veel vragen over de toekomst van het land en de mogelijkheid dat religieuse extremisten de bovenhand halen. De Engelstalige en de internationale media hadden de handen vol met de discussies over de opkomst van het religieuze extremisme en de ineenstorting van de liberale en seculiere lagen in het land.
Een aantal artikels gaven de indruk dat het hele land in de greep van religieuze extremisten is gevallen en alle seculiere lagen van de kaart zijn geveegd. Deze indruk is verkeerd en een overdrijving van de reële situatie. Ongetwijfeld hebben de religieuze extremistische krachten een offensievere positie naar aanleiding van de wetgeving over godlastering en zaten de meer ‘liberale’ elementen in het defensief.
Maar het zou verkeerd zijn om daaruit de conclusie te trekken dat het de religieuze politieke partijen een brede steun genieten onder de bevolking. Dat zou een wel erg eenzijdige analyse zijn die voorbij gaat aan de meer complexe en tegenstrijdige elementen die amper aan bod komen bij de meeste Westerse commentatoren en zogenaamde experten.
Dezelfde religieuze partijen die nu grote bijeenkomsten en protestbetogingen organiseren in een aantal delen van het land, kregen bij de laatste parlementsverkiezingen in februari 2008 nog een zware opdoffer. Ze haalden samen minder dan 3% van de zetels en minder dan 5% van de stemmen.
Het klopt dat de religieuze partijen goed georganiseerd zijn en goed getrainde activisten hebben in vergelijking met de burgerlijke liberale en seculiere partijen. Het is ook belangrijk om op te merken dat de meeste deelnemers van de acties uit de relgieuze scholen komen, in deze scholen krijgen ongeveer twee miljoen jongeren een religieuze opleiding. Ongetwijfeld is de Pakistaanse samenleving de afgelopen drie decennia minder tolerant en progressief geworden en dit als gevolg van een hypocriet beleid van bedrog waarbij ook de religieuze kaart werd getrokken.
Een meerderheid van de Pakistaanse bevolking is tegen religieus extremisme en de ideologie ervan gekant. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen religieuze gevoelens onder de gewone bevolking en steun voor het religieus extremisme. Er moet ook worden opgemerkt dat bijna 96% van de bevolking moslim is en een meerderheid van de bevolking analfabeet is en eigenlijk dom wordt gehouden door de reactionaire rotte heersende klassen. Die hebben ingespeeld op de religieuze gevoelens van de massa’s en ze hebben religie gebruikt om hun brutale en repressieve bewind te rechtvaardigen. De Pakistaanse staat heeft de algemene religieuze opvattingen gemengd met politiek waardoor het zo goed als onmogelijk is geworden om beide nog te onderscheiden op een aantal vlakken.
Het feit dat de staat de godsdienst gebruikt voor politieke doeleinden maakt het voor de religieuze partijen en de extremisten makkelijker om in te spelen op de godsdienstige gevoelens onder bredere lagen. Dat is wat er momenteel aan het gebeuren is. Er werd ingespeeld op de wetgeving inzake godlastering waarbij dit werd omgevormd tot een discussie over de eer en de waardigheid van heilige profeet. De religieuze scherpslijpers in de media hebben de extremistische krachten goed geholpen om dat beeld te kunnen creëren. Een gevoelig religieus thema werd benut om politiek te kunnen scoren.
De afgelopen weken zijn heel wat mensen vermoord omdat ze wezen op misbruik van de wetgeving op de godlastering en omdat ze aanpassingen voorstelden. De golf van religieuze koorts onder bepaalde delen van de samenleving is een tijdelijk fenomeen dat mogelijk niet lang zal duren. Maar dat betekent niet dat het fenomeen van religieus extremisme zal verdwijnen. Het zou verkeerd zijn om de gevaren ervan voor de arbeidersklasse en de samenleving te ontkennen. De opkomst van het religieus extremisme is een ernstig gevaar voor de georganiseerde vakbeweging en de linkse krachten in het land. We moeten de realiteit onder ogen zien: er zijn religieuze extremisten en die zullen blijven bestaan zolang het systeem bestaat dat een voedingsbodem voor dergelijke reactionaire krachten vormt. Het kapitalistische en feodale systeem zorgt ervoor dat dergelijke krachten een opgang kunnen maken. De heersende klassen van Pakistan hebben de afgelopen 64 jaar niets gedaan om de staat en de godsdienst van elkaar te scheiden en een seculiere staat te vormen. Ze waren niet in staat om de taken van de nationale democratische revolutie (de burgerlijke revolutie) te vervullen. Er is geen einde gemaakt aan het feodalisme en elementen van een stammensamenleving die de landbouwsector nog steeds domineren. De verschillende stalinistische en maoïstische krachten hebben steeds hun hoop gevestigd op een of ander deel van de heersende klassen om de taken van de nationaal-democratische revolutie te vervullen, maar dat was steeds een illusie. Er is immers geen progressieve vleugel van de kapitalistische klasse.
Het is duidelijk dat de liberale intelligentsia niet meer weten van welk hout pijlen te maken. Hun poging om de strijd voor democratische rechten los te zien van eisen voor de verbetering van het dagelijkse leven van de bevolking, heeft gefaald. Dat is niet verwonderlijk: deze toplaag komt voort uit de burgerij die naar voren trad tijdens de beweging van de advocaten of vanuit de PPP en haar sympathisanten. Dit zijn groepen die de afgelopen jaren doorgaans consistent de verdediging van het neoliberalisme hebben opgenomen.
Hun rol doet denken aan wat Marx schreef over de Pruisische burgerij na hun verraad in de revolutie van maart 1848: “Zonder geloof in zichzelf, zonder geloof in de bevolking, mopperend op wie boven hen staat, bang van wie onder hen staat, egoïstisch tegenover beide lagen en bewust van haar egoïsme; revolutionair tegenover de conservatieven en conservatief tegenover de revolutionairen… Ze twijfelen over de eigen eisen, nemen geen initiatieven en hebben geen zelfvertrouwen of vertrouwen in de bevolking, ze hebben geen historisch doel.” (De burgerij en de contrarevolutie, december 1848).
Terwijl de wetgeving over de godlastering een barometer is van de moeilijkheden van het dagelijkse leven in Pakistan, is dit toch geen onderdeel van de dagelijkse onrechtvaardigheden waarmee de overgrote meerderheid wordt geconfronteerd. Voor die meerderheid zijn honger, armoede en oorlog dagelijkse kost. Het aantal gevallen waarin de wetten op de godlastering de afgelopen dertig jaar werden ingeroepen, bedraagt enkele honderden. Dat is minder dan het aantal Pakistaanse kinderen dat dagelijks omkomt als gevolg van ondervoeding of daarmee verbonden oorzaken.
Daarmee willen we niet zeggen dat deze wetten niet dringend moeten worden aangepakt. Het is noodzakelijk om voor het intrekken van deze wetten een bredere steun onder de bevolking te verwerven en dat is een taak die niet los kan worden gezien van een breder politiek project. Progressieven moeten rekening houden met de politieke context waarin ze actief zijn. Ze moeten als organisatoren optreden en niet louter als commentatoren. De staat uit de greep van de godsdienst te halen, is een belangrijke stap in de strijd voor de omvorming van de samenleving op socialistische basis. Het is echter niet mogelijk een progressieve samenleving op te bouwen op basis van een rot kapitalistisch systeem, wat veel liberalen en progressieven wel proberen. Het is een integraal onderdeel van de strijd om de arbeidersklasse te bevrijden van de ketenen van kapitalistische uitbuiting en repressie.
We zullen nooit bredere steun en vertrouwen krijgen als we niet deelnemen en een leidinggevende rol spelen in de strijd tegen de wreedheid van het dagelijkse leven in ons land. Dat betekent opkomen voor een leefbaar loon, degelijke huisvesting, werk, landrechten, degelijk onderwijs, gezondheidszorg, openbaar vervoer,… De Pakistaanse massa’s willen als menselijke wezen kunnen leven en eisen daarom betere levensvoorwaarden. De zogenaamde liberale en seculiere heersende partijen zijn er niet in geslaagd om de massa’s en de armen een toekomst aan te bieden. Dat heeft een politiek vacuüm gecreëerd waar de religieuze rechterzijde gebruik van maakt met godsdienstige slogan. Dit is een ideologisch offensief van de religieuze rechterzijde, de liberale en seculiere leiders hebben er geen antwoord op. De reden is eenvoudig, zij hebben geen ideologie, visie, strategie of programma om een tegenoffensief in te zetten. Ze hebben niet de moed of de vastberadenheid om die uitdaging aan te gaan. Deze leiders en partijen vinden het eenvoudiger om toegevingen te doen aan de religieuze krachten om hen te kalmeren. Partijen zoals de PPP, PML-N, MQM en ANP zijn meer bezorgd over de eigen electorale resultaten en willen daarom een confrontatie met de religieuze rechterzijde vermijden. Al deze partijen steunen een of andere religieuze partij om stemmen te halen bij de verkiezingen of om allianties aan te gaan. De religieuze rechterzijde weet dit en maakt gebruik van de zwakte van de traditionele partijen om er zelf voordeel uit te halen.
Wat wil de religieuze rechterzijde?
De acties van de religieuze rechterzijde hebben geleid tot een aantal belangrijke vragen over de posities van deze rechterzijde.
Ten eerste is er de belangrijke vraag wat de agenda van deze beweging is. Het ziet er naar uit dat het voornaamste doel van deze beweging erop gericht is om het terrein dat de religieuze rechterzijde de afgelopen jaren was verloren, terug te winnen. De zelfmoordaanslagen en bomaanslagen van de Taliban en aanhangers van deze stroming waarbij onschuldige vrouwen, kinderen en de stedelijke bevolking in het algemeen werd geraakt, bleek contraproductief te zijn. Een overgrote meerderheid van de bevolking is fel tegen deze barbaarse daden gekant en keert zich tegen de methoden van de extremistische groepen die met de Taliban en Al-Qaeda zijn verbonden. Veel religieuze partijen en groepen hebben de Taliban en andere extremisten direct of indirect gesteund. Het resultaat van de laatste parlementsverkiezingen (en van de tussentijdse verkiezingen sindsdien) maakt duidelijk dat de religieuze rechterzijde heel wat terrein had verloren. Alle peilingen voor de huidige rechtse beweging bevestigden deze tendens. Jamat-e-Islami (JI), de belangrijkste fundamentalistische partij in het land, nam in 2010 deel aan twee tussentijdse verkiezingen in Lahore en Rawalpindi. Waar deze partij doorgaans minstens 5.000 tot 10.000 stemmen haalde in beide kiesdistricten, waren het er nu maar 2.200 en 3.700. Dat is minder dan een procent van de uitgebrachte stemmen. De religieuze partijen maken nu gebruik van de discussie over de wetten op de godlastering om er politiek voordeel uit te halen.
Ten tweede willen de rechtse fundamentalistische delen van het establishment van de gelegenheid gebruik maken om te komen tot een alliantie van religieuze partijen rond een aantal centrale punten. Zo’n alliantie kan vervolgens leiden tot een electorale alliantie naar het model van de MMA, een alliantie van de belangrijkste religieuze partijen die bij de parlementsverkiezingen van 2002 een aanzienlijk aantal zetels en 11% van de stemmen behaalde. Er wordt algemeen aangenomen dat deze alliantie destijds werd opgezet vanuit de veiligheidsdiensten op vraag van het militaire regime van Musharaf. Dezelfde figuren willen nu de ontwikkelingen bij de verkiezingen van 2002 herhalen om zowel binnen als buiten het parlement een groter politiek gewicht te hebben. Het zal evenwel moeilijk zijn voor deze religieuze krachten om bij de volgende verkiezingen hun succes van 2002 te herhalen.
Ten derde wordt de huidige campagne gebruikt om verschillende rivaliserende religieuze partijen van verschillende sekten bijeen te brengen. Er was de afgelopen maanden een scherpe verdeeldheid onder de religieuze krachten. De religieuze partijen die tot de Braelvi-sekte behoren, organiseerden protestbetogingen en bijeenkomsten tegen de aanvallen op religieuze schrijnen in Lahore en Karachi. Niemand had ooit gedacht dat deze schrijnen van moslim-heiligen zouden worden aangevallen. De Braelvi’s stelden dat de religieuze groepen van de Deobandi’s en de Taliban achter de aanslagen zaten. Alle religieuze partijen die tot de Braelvi-stroming behoren, vormden een alliantie die de Soennitische Alliantie Raad werd genoemd. Er werd openlijk gesteld dat een aantal religieuze scholen van de Deobandi betrokken waren bij religieus extremisme en beter zouden worden gesloten. Er waren zelfs anti-Taliban acties in verschillende steden. De situatie tussen de twee groepen was erg gespannen met de dreiging van confrontaties en zelfs moordpartijen. Deze spanningen zijn nog niet volledig voorbij, maar ze zijn wat bedaard door de discussie over de wetten op de godlastering.
Ten vierde wordt dit thema ook gebruikt om de aandacht van de arbeiders en de armen in dit land af te wenden van de reële problemen waarmee ze in het dagelijkse leven worden geconfronteerd. De acute energietekorten, de sterk stijgende prijzen, de werkloosheid, toegenomen armoede en de honger terwijl de openbare diensten in elkaar storten. Dat zijn de problemen waarmee de meerderheid van de bevolking wordt geconfronteerd. Er is een groeiende woede en heel wat wanhoop. Er waren enkele massale protestacties waarbij wegen en spoorlijnen urenlang werden geblokkeerd door woedende betogers in de belangrijkste steden in de provincies Punjab en Khyber Pakhunkhwah. Het protest was gericht tegen de urenlange stroomonderbrekingen. Dit protest zorgde voor een schok onder de heersende klasse. Die was bang voor een massale beweging rond deze thema’s waarbij de situatie uit de hand zou lopen en het regime in gevaar zou brengen. Zelfs de religieuze rechterzijde was erg voorzichtig in haar mobilisaties. Er werden enkel in Karachi grote betogingen opgezet, maar het kwam nog niet tot een oproep voor nationale betogingen. Ook zij zijn bang van een massale beweging die kan beginnen rond religieuze thema’s maar snel een massabeweging kan worden tegen de corrupte elite en het repressieve staatsapparaat. Eens de economische en sociale thema’s op de voorgrond komen te staan, zal de religieuze rechterzijde opzij worden geschoven en de controle over de beweging verliezen. Het komt de regering niet slecht uit dat de religieuze rechterzijde de aandacht wat afleidt en daarmee ademruimte creëert voor de regering.
Ten vijfde willen de religieuze krachten duidelijk maken dat zij boven het parlement staan als het op het aanpassen van een islamitische wet aankomt. Ieder debat over dergelijke thema’s wordt onmogelijk gemaakt, zowel in als buiten het parlement. Verschillende rechtse politieke partijen en extremistische groepen hebben hun agenda kunnen opleggen door ervoor te zorgen dat het verkozen parlement geen ernstige discussie kan houden over belangrijke politieke en sociale thema’s in het land. De pleitbezorgers van geweld en haat daarentegen kregen de vrije baan om het te hebben over hun beeld van wat de islam inhoudt en over de wetten die ze aan de bevolking van het land willen opleggen. De religieuze rechterzijde wil haar strakke controle over religieuze thema’s behouden, deze controle kreeg zij toegekend onder het militaire regime van generaal Zia in de jaren 1980.
Het laatste en belangrijkste element is het feit dat de grootste religieuze politieke partijen onder een immense druk staan van groepen die met Al-Qaeda verbonden zijn en dat wordt gecombineerd met ontwikkelingen in de religieuze partijen zelf. De Pakistaanse en de internationale media en de intellectuelen hebben het doorgaans over de toegenomen spanningen tussen de religieuze extremisten en de meer liberale krachten. Maar er zijn ook enorme spanningen binnen de religieuze rechterzijde. De nummer twee van Al-Qaeda, Aimanul Zawahri, heeft een lang artikel geschreven dat onder religieuze groepen is verspreid en waarin wrodt verklaard dat de Pakistaanse grondwet niet islamitisch is. Het artikel vraagt de moslims in het land om de grondwet niet te aanvaarden. Er wordt ook gesteld dat alle religieuze leiders die de grondwet ondertekenden, een fout maakten. Dit standpunt van een topman van Al-Qaeda kwam hard aan bij de drie belangrijkste religieuze partijen. Leiders van zowel JI, JUI-F en JUP hebben de grondwet uit 1973 onderschreven. Nieuwe extremistische groepen en hardliners binnen deze partijen gaan nu in tegen de leiding. De religieuze politieke partijen staan op een kruispunt op ideologisch vlak met heel wat discussies en het opzetten van nieuwe, hardere groepen.
De belangrijkste religieuze politieke partijen voeren een electoralistische koers en maken deel uit van de machtspolitiek. De religieuze leiders werden na 1977 onderdeel van de heersende klasse en ze genieten alle voordelen en privileges van de heersende elite. Ze beweren dat ze de ‘islamitische revolutie’ willen bereiken met ‘democratische methoden’. Nu er groepen opstaan zoals de Taliban en Al-Qaeda en deze groepen met hun groeiende invloed en ideologie de geloofwaardigheid van de religieuze leiders en partijen ondermijnen, leidt dit tot spanningen. Er zijn nieuwe groepen die ingaan tegen de democratie en tegen verkiezingen en die verklaren dat de grondwet niet islamitisch is. Zij beweren dat een islamitische staat op basis van gewapende strijd moet worden afgedwongen. Er zijn al een aantal militanten van de harde lijn van JI en JUI-F afgesplitst om de Taliban te vervoegen. Een aantal anderen werden uit deze partijen uitgesloten omdat ze de ideologie van de Taliban en Al-Qaeda probeerden te verdedigen. Om hun geloofwaardigheid als de ware leiders van de religieuze rechterzijde op te krikken, werd vervolgens een campagne opgezet voor de eer en de integriteit van de profeet. Deze leiders zetten enerzijds druk op de liberale onderdelen van de heersende klasse en ze voeren anderzijds een strijd voor het eigen overleven binnen de religieuze rechterzijde.
De middenklasse en de religieuze rechterzijde
Een aantal intellectuelen en commentatoren schetsen het beeld dat een meerderheid van de geschoolde middenklasse de religieuze rechterzijde ondersteunt en dat er een brede steun is voor het religieuze extremisme onder deze laag. Vooraleer conclusies op dat vlak kunnen worden getrokken, is het belangrijk om een korte analyse van de Pakistaanse middenklasse te schetsen. Traditioneel bestaat de Pakistaanse middenklasse uit handelaars, de kleinburgerij op het platteland, professionelen zoals dokters, ingenieurs, professoren, advocaten en managers, en de burgerlijke en militaire bureaucraten. De middenklasse in Pakistan is niet zo stabiel als in de geïndustrialiseerde landen. Iedere economische groei leidt tot het ontstaan van een kunstmatige laag van een middenklasse die opnieuw verdwijnt bij de volgende economische crisis. Bij groei is er een vooruitgang in de levensstandaard van de middenklasse en een beter gesteld deel van de arbeidersklasse, maar bij het uitbreken van een nieuwe crisis worden deze lagen terug naar hun vroegere positie gekatapulteerd. Nu de economische situatie erg snel wijzigt, zorgt dit ook voor enorme veranderingen voor de middenlagen.
Handelaars zijn de meest conservatieve en religieuze laag van de middenklasse, ze vormen ook de grootste groep van de middenklasse. Doorgaans zijn ze zowel politiek als sociaal conservatief. Hun politieke banden zijn anders in de verschillende provincies en de verschillende regio’s. Zo steunt een meerderheid van de handelaars in Punjab de PML-N bij de verkiezingen, terwijl slechts een minderheid voor de religieuze partijen kiest. In Karachi zijn het de MQM en de Jamat-e-Islami die op de meeste steun kunnen rekenen. Op het platteland van de provincie Sindh krijgen de PPP en de gevestigde grootgrondbezitters de steun van de handelaars. In Balochistan zijn dat de nationalistische partijen, zowel de Balochi als de Pathaanse nationalisten, en de fundamentalistische JUI-F. In Khyber Pakhoonkhwa tenslotte moeten de ANP, JUI-F, JI, PPP en PML-N de stemmen van de handelaars verdelen. Heel wat handelaars staan in voor de financiële steun van religieuze politieke partijen en delen van hen zorgen voor de financiering van extremistische groepen. Historisch gezien zijn handelaars doorgaans erg reactionair op religieus vlak en gaan ze vaak in tegen progressieve bewegingen. De bovenste lagen van de handelaars hebben banden met de heersende klasse, aangezien hun klassenbelangen hen dwingen om een bondgenoot van de burgerij te worden. De lagere en middenlagen van de middenklasse zijn de belangrijkste bondgenoot van de religieuze rechterzijde. Zij staan ook vooraan in de huidige religieuze beweging. De militaire dictatuur van generaal Zia ul-Haq zorgde voor de politieke ondersteuning van de handelaars en heeft hun positie versterkt. Ze mochten hun eigen organisaties opzetten en een eigen leiding verkiezen zonder enige inmenging van de overheid, terwijl er een brutale dictatuur was. Vakbonden en progressieve partijen werden op hetzelfde ogenblik hard aangepakt en arbeiders kregen te maken met bloedige repressie en martelingen. Heel wat handelaars delen de wereldvisie van de religieuze rechterzijde en volgen de strikte morele en sociale regels die door de religieuzen worden opgelegd. Het is echter opvallend dat handelaars dan wel tot de meest godsdienstige lagen van de samenleving behoren, maar tegelijk geen kans laten ontglippen om de eigen winsten wat op te drijven. Daarbij wordt niet geaarzeld om misbruik te maken van menselijke tragedies zoals overstromingen of aardbevingen. Als het om de eigen winsten gaat, worden alle lessen van de islam over “moraal” snel vergeten.
De kleinburgerij op het platteland is niet zo religieus als de handelaars, maar omarmt ook conservatieve standpunten. Deze laag van de middenklasse is stabieler aangezien ze eigen grote en middelgrote landbouwbedrijven bezit. Deze laag brengt ook professionelen voor het leger en de burgerlijke bureaucratie voort. Deze laag steunt doorgaans de belangrijkste politieke partijen, de PPP en de PML-N. Ze staat niet voor een specifieke politieke ideologie en wisselt snel van kamp. Dit is een van de meest opportunistische lagen van de middenklasse. In feodale regio’s is dit een bondgenoot van de feodale heersers. In het centrum van Punjab is het een trouwe bondgenoot van de burgerij en het militaire establishment.
De geschoolde stedelijke middenklasse heeft vaak banden met het religieus extremisme. De afgelopen jaren is deze laag sterk opgeschoven naar een religieuze positie. In de jaren 1950, 60 en het begin van de jaren 70 was deze laag eerder progressief in vergelijking met andere delen van de middenklasse. De studenten vormen een belangrijke factor binnen deze laag en die stonden vooraan in de progressieve studentenbeweging van die tijd. De National Student Federation (NSF) was de grootste studentenorganisatie van het land en dit was een uitgesproken linkse organisatie. Er sloten ieder jaar duizenden studenten aan bij de NSF. De meesten van hen kwamen uit de middenklasse. Vanaf de jaren 1980 is de linkse studentenbeweging grotendeels verdwenen, tegelijk was er een opkomst van een cultuur van jihad en religieus rechts. Dit zorgde voor verandering. In het verleden heeft deze laag belangrijke schrijvers, dichters en intellectuelen voortgebracht die de arbeidersbeweging ondersteunden en er deel van uitmaakten. NSF-activisten speelden een actieve rol in het opzetten van de vakbonden eind jaren 1960 en begin jaren 1970. De afwezigheid van de linkerzijde als alternatieve kracht op het politieke terrein, heeft nu de weg voor religieuze fundamentalistische organisaties zoals JI gemakkelijker gemaakt op de campussen van de universiteiten. De afgelopen jaren heeft een kleine minderheid van de geschoolde middenklasse in de steden de nieuwe militante organisaties vervoegd. Maar dat betekent niet dat heel deze laag de ideeën van het religieuze extremisme heeft omarmd. Eens de arbeidersklasse in beweging komt en op het politieke toneel verschijnt, kunnen grote delen van deze laag worden overgewonnen voor de ideeën van het socialisme.
Rol van de arbeidersklasse
In de analyses van de Westerse commentatoren en de Pakistaanse intellectuelen wordt doorgaans geen rekening gehouden met de rol van de arbeidersklasse. Voor deze experts bestaat de machtige arbeidersklasse niet. Nochtans stellen de officiële cijfers dat er van de 170 miljoen Pakistanen 49 miljoen tot de arbeidersklasse behoren. Als de arbeiders in de informele sector en de vrouwelijke arbeiders op het platteland worden meegerekend, dan komen we aan 69 miljoen. Dat is 40% van de bevolking. De middenklasse is goed voor zowat 34 miljoen mensen.
Het gaat echter niet alleen om de aantallen, ook de tradities en de geschiedenis van de arbeidersklasse is belangrijk als het over de toekomst van het land gaat. Een actieve rol van de arbeidersklasse zou tot een kwalitatieve verandering leiden, de arbeiders zijn immers beslissend voor de toekomst van het land. De arbeidersklasse heeft de potentiële macht om de opkomst van reactionaire krachten te stoppen.
Het klopt dat de arbeidersklasse op dit ogenblik slechts de rol van toeschouwer speelt. Het klopt ook dat de vakbonden zwak en geïsoleerd staan. De arbeidersklasse komt nog niet tussen in het politieke proces omdat er geen partij is die haar belangen verdedigt.
Deze situatie zal niet blijven duren. De arbeidersklasse zal op het politieke toneel verschijnen, net zoals dit in de jaren 1960 het geval was toen de arbeidersklasse als een donderstorm naar voor kwam. Niemand achtte het mogelijk dat de arbeidersklasse het kon opnemen tegen de machtige militaire dictatuur van generaal Ayub Khan, laat staan dat ze deze dictatuur ten val zou brengen. Maar de arbeidersklasse deed dit wel degelijk in 1968-69. De arbeidersklasse bracht ook de religieuze rechterzijde een nederlaag toe bij de eerste parlementsverkiezingen in het land in 1970. Vlak voor die verkiezingen hadden meer dan 100 religieuze en spirituele leiders een regel uitgevaardigd dat al wie voor een partij zou stemmen die opkomt voor socialisme niet langer een moslim zou zijn. Er werd aan toegevoegd dat wie gehuwd was met iemand die voor een socialistische partij stemde, het huwelijk als onbestaand kon beschouwen. De arbeidersklasse negeerde deze regel en stemde massaal voor de PPP in West-Pakistan (nu Pakistan) en de Awami League in Oost-Pakistan (nu Bangladesh), op een ogenblik dat deze partijen de mond vol hadden van hun socialistische opvattingen. De religieuze rechterzijde werd van de kaart geveegd bij de verkiezingen. Het waren politieke fouten van de PPP-leider ZA Bhutto midden jaren 1970 die de religieuze rechterzijde een nieuwe levenslijn zouden bezorgen.
De religieuze rechterzijde kan niet zomaar de macht grijpen in Pakistan om er een theocratische staat van te maken. Dat is enkel mogelijk als de meerderheid van de werkende bevolking de standpunten van het religieus extremisme overneemt of als de arbeidersklasse een harde nederlaag wordt toegebracht. Geen van beide elementen is nu aanwezig. Een grote meerderheid van de werkende bevolking verzet zich tegen de religieuze rechterzijde. Zodra de klassenstrijd begint te ontwikkelen en het politieke klassenbewustzijn centraal komt te staan, zal het volledige politieke en sociaal toneel van uitzicht veranderen.
Het opzetten van de Progressive Workers Federation (PWF), een strijdbare vakbondsfederatie met honderdduizenden leden uit verschillende lokale vakbonden, is een voorbeeld van het potentieel van de arbeidersklasse. Bovendien waren er de afgelopen weken enkele belangrijke stakingsacties. Het enorme arbeidersverzet als reactie op de 4.000 afdankingen bij het elektriciteitsbedrijf van Karachi is eveneens een voorbeeld van het potentieel van arbeidersverzet.