Euro-verkiezingen: establishment afgestraft
Op de zoveelste bijeenkomst van de Europese leiders deze week, konden die allemaal hun nederlaag delen. Blair, Schröder, Chirac, Berlusconi, Persson, Verhofstadt en Ahern leden immers allemaal een nederlaag bij de Europese verkiezingen. De staatshoofden van de 10 nieuwe Oost-Europese lidstaten hebben ook slechte resultaten behaald. Het kleine deel van de bevolking dat daar kwam stemmen, deed dit voor een brede variatie van Euro-sceptische organisaties die nu in het Europees parlement vertegenwoordigd zullen zijn.
Karl Debbaut, CWI
De Europese verkiezingen van 2004 zullen herinnerd worden als die waarin de heersende regeringen en het idee op zich van de Europese Unie een zware slag toebedeeld kregen in de stemhokjes. Er is een groeiende kloof tussen het Europese establishment en de bevolking, een kloof waarbij de woede opvalt tegen de dalende levensstandaard, de werkloosheid en de politici die vooral met zichzelf bezig zijn.
De Duitse sociaal-democraten (SPD) van Gerhard Schröder kregen het laagste stemmenaantal sinds 1932. De SPD haalde 21,5%. De partij probeerde het publiek te herinneren aan haar standpunt over de oorlog, maar dat kon de aandacht niet afleiden van het zware besparingspakket dat de regering oplegt in Duitsland zelf. Die besparingen vormen de grootste aanval op de rechten van de arbeiders en hun gezinnen sinds de tweede wereldoorlog. De patroons willen lagere lonen en een langere werkweek. Daarbij vinden ze gehoor bij Schröder en diens regering. Sinds Schröder in 2002 herverkozen werd, verloor hij iedere verkiezing.
Gevolgen van de oorlog in Irak
In Groot-Brittannië vielen de Europese verkiezingen samen met lokale verkiezingen en verkiezingen voor een Londense Raad. De Labour Party van Blair heeft daarbij een zware prijs betaald voor de oorlog in Irak en de ontgoocheling in het beleid van New Labour in het land zelf. New Labour staat voor privatiseringen in de gezondheidsdiensten, de verdediging van lage lonen en een verval van de openbare diensten, zeker in de steden. Bij de lokale verkiezingen was Labour slechts de derde partij na de Conservatieven en de Liberaal-Democraten. Bij de Europese verkiezingen haalde de partij slechts 22%, haar laagste niveau sinds 1918 bij nationale verkiezingen. De Conservatieven deden het echter niet veel beter, zij haalden 28%. Dat is het laagste niveau voor de Tories sinds het einde van de 19e eeuw…
Maar wie won dan? De grote overwinnaars waren in veel gevallen de partijen die onder de noemer "Anderen" werden vermeld. Daarbij was er een grote overwinning voor de UK Independence Party (UKIP), een partij geleid door bekende figuren als Robert Kilroy Silk – een voormalig parlementslid van Labour die nadien een TV-show had tot hij werd ontslagen na racistische opmerkingen. De UKIP haalde 16,7% en verviervoudigde haar aantal verkozenen van 3 tot 12. ‘Respect’, een organisatie geleid door ex-Labour parlementslid George Galloway en de Socialist Workers Party haalde goede resultaten in een aantal regio’s, maar slaagde er niet in om verkozenen te halen. Die dachten om met een afgezwakt programma (vooral op het punt van klassenstandpunten was het programma erg flauw) waarbij de "religieuze opvattingen" van Galloway sterk benadrukt werden, een doorbraak te maken onder de migranten. In Schotland werd de Scottish Socialist Party (SSP) de zevende partij na de UKIP en de Groenen.
In Frankrijk leed de heersende UMP van Chirac een tweede nederlaag in minder dan drie maanden tijd. Het protest tegen de hervormingen van de sociale zekerheid en de pensioenen heeft de UMP herleid tot een score net onder de 17%. In Frankrijk – net zoals in Italië, Portugal en Nederland – kon de sociaal-democratie heel wat proteststemmen achter zich krijgen vanuit haar positie als belangrijkste mainstream oppositie-partij. In Italië leed Forza Italia van Berlusconi een nederlaag terwijl de andere coalitiepartners van de rechtse regering wel stand hielden. De grote verschuivingen op electoraal vlak wijzen echter niet op een groot enthousiasme voor die partijen of voor hun beleid. Het leidt er ook niet toe dat er een massale toestroom van nieuwe leden zou zijn.
Frankrijk is een belangrijk voorbeeld omdat de arbeiders er de afgelopen jaren massaal geprotesteerd hebben tegen het rechtse beleid, zowel op straat als in het stemhokje. Nochtans is de alliantie van LO en LCR (twee organisaties die beweren trotskistisch te zijn) sterk verzwakt uit deze verkiezingen gekomen. De alliantie haalde 3,3% van de stemmen en verloor alle 5 haar Europarlementsleden. Het is natuurlijk mogelijk dat kleine linkse partijen stemmen verliezen als de kiezers massaal stemmen voor de oppositie die gezien wordt als ‘het minste kwaad’ tegenover de rechtse partijen, maar LO/LCR voerde een beperkte campagne op vlak van de eisen dat het naar voor bracht en op vlak van het duidelijk maken waarvoor een socialistisch alternatief staat. Ze brachten niet de noodzaak van een nieuwe arbeiderspartij naar voor als alternatief op de burgerlijke partijen. Dat werd gezien als een discussie voor na de verkiezingen, maar intussen is weer een kans verkeken.
Er is nood aan een actieve campagne en een actieplan voor de formatie van een nieuwe arbeiderspartij. Slechts twee jaar geleden haalden LO en LCR samen 10,4% in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Dat was een weerspiegeling van de oppositie tegenover de regering van PS en PCF. De beweging tegen Le Pen die naar de tweede ronde van de presidentsverkiezingen kon doorstoten toen Jospin slechts derde werd in de eerste rond, bood enorme kansen voor een levendige en brede campagne voor een nieuwe arbeiderspartij.
In plaats van zo’n campagne te voeren, hanteerde de LCR de slogan: "Strijd tegen het FN op straat en in het stemhokje", waarmee in de praktijk het ‘Republikeinse front’ van de burgerij tegenover extreem-rechts werd ondersteund. De LCR had geen onafhankelijke klassenpositie wat het makkelijker maakte om de arbeiders te mobiliseren voor Chirac. Chirac haalde minder dan 20% in de eerste ronde van de presidentsverkiezingen en werd algemeen gezien als een corrupte dief. In de tweede ronde haalde hij echter 82%, wat de basis vormde voor een tweede verkiezingsoverwinning voor rechts en een vastberaden rechtse regering opleverde die de strijd aanging tegen de verworvenheden van de arbeiders.
In mei en juni 2003 was er opnieuw een enorme kans voor het idee van een nieuwe arbeiderspartij. De mobilisaties tegen de pensioenhervorming leidden tot een situatie met een bijna algemene staking waarbij miljoenen mensen betoogden tegen de rechtse regering-Raffarin. De nood aan een massale partij die opkomt voor de arbeiders en de armsten werd algemeen aanvaard aangezien duidelijk was dat de ‘Gauche Plurielle’ (PS, PCF en Groenen) geen alternatief te bieden hebben.
In een opiniepeiling een week na de massale betoging van 25 mei 2003 zei 47% van de ondervraagden dat de PS het niet slechter of beter zou doen met de pensioenhervormingen (47% zei hetzelfde over het onderwijs en 50% over de hervormingen in de gezondheidsdiensten). Op de betogingen was er een laag van arbeiders die radicaal-links het verwijt maakte dat ze opgeroepen hadden om voor Chirac te stemmen in de verkiezingen van het jaar ervoor waarbij gesteld werd dat dit leidde tot een sterkere rechtse regering. Na de strijd tegen de pensioenhervormingen (een strijd waarin de vakbondsleiders de regering hebben gered door een algemene staking te vermijden), ging de aandacht meer naar het politieke terrein.
In januari 2004, 2 maanden voor de regionale en lokale verkiezingen in Frankrijk, gaven de peilingen aan dat 9% van de Fransen op LO/LCR zou stemmen en dat 22% die nog nooit voor radicaal-links had gestemd, dit nu ernstig zou overwegen. De radicalisatie was dermate diepgaand dat onder het salvo van neo-liberale aanvallen van de rechtse regering en de frisse herinnering aan de weggestemde centrum-linkse regering in 2002, er een enorme openheid bestond voor een nieuwe formatie.
Stap achteruit
In het pamflet waarmee opgeroepen werd om voor LO/LCR te stemmen, stond: "Stemmen voor onze lijst is een politiek signaal, een aanmoediging voor de strijd en voor al diegenen die willen opkomen voor de rechten van de arbeiders om een einde te maken aan de tirannie van de aandeelhouders en de beurzen." De LCR spreekt geregeld over de nood van een alternatieve anti-kapitalistische partij, maar doet dit meestal met dezelfde vage terminologie als die van de zelf-aangeduide leiders van de antiglobaliseringsbeweging waarbij dit perspectief niet geplaatst wordt in de context van arbeidersstrijd. Het feit dat LO/LCR heel wat kansen gemist heeft, is een stap achteruit voor de arbeidersbeweging en heeft ertoe geleid dat heel wat van de steun die het kartel genoot verdwenen is. De vraag is of deze nederlaag er ook toe zal leiden dat de energie van de arbeiders die willen breken met de traditionele partijen zal afnemen.
Dit is een waarschuwing voor partijen als het Linkse Blok in Portugal. Electorale stappen vooruit kunnen verloren gaan als de kansen niet gegrepen worden. Het Linkse Blok maakte belangrijke stappen vooruit in Portugal en ging van 2,75% naar 4,92% sinds de vorige nationale verkiezingen in 2002. De rechtse regeringscoalitie probeerde Euro 2004 aan te grijpen door in de verkiezingen een electorale alliantie te vormen onder de naam "Força Portugal", maar ze leden hun belangrijkste verkiezingsnederlaag ooit. Vooral de sociaal-democratische Socialistische Partij trok de proteststemmen aan.
De media legde nadruk op de lage opkomst bij deze Europese verkiezingen en ook bij nationale verkiezingen. In de 10 nieuwe lidstaten in Oost- en Centraal-Europa lag de opkomst gemiddeld op 28,7%, een duidelijk teken van ontgoocheling in de EU en haar beleid. Een aantal vertegenwoordigers van eurosceptische en populistische partijen werden in het Europees parlement gestemd. In Polen behaalden twee anti-EU partijen, de Zelfverdedigingspartij en de Liga van Poolse Families, samen zo’n 29% van de stemmen. In Tsjechië haalde de ex-stalinistische communistische partij een opmerkelijk resultaat met 20% van de stemmen, waardoor de regerende sociaal-democraten slechts de derde partij werden. In Slovakije haalde de links-populistische partij Smer 16,9%.
De opkomst daalde zowat overal in Europa tot een gemiddelde van 42,2%, wat sterk onder de 49,4% van de vorige Europese verkiezingen is. In een aantal landen was er een heuse mobilisatie tegen de zittende regeringen. In Groot-Britannië steeg de opkomst met 15% naarmate de apathie omgezet werd in antipathie. In Nederland en Ierland ging de opkomst met 9% omhoog en in Italië met 3%. Vooral in Groot-Britannië en Nederland was die hogere opkomst een teken van een nieuwe polarisatie tegen de regeringen zowel omwille van hun huiding over de oorlog in Irak als omwille van hun asociaal beleid.
De rechtse regering in Nederland heeft zowat alles aangevallen: werkloosheidsuitkeringen, ziekteuitkeringen, goedkope gezondheidszorg, onderwijs, openbaar vervoer, sociale huisvesting, vluchtelingen en nu worden ook de pensioenen aangepakt. De besparingen hebben geleid tot een daling van het gemiddeld inkomen van arbeiders met 1,25% op één jaar tijd en de werkloosheid stijgt met 14.000 mensen per maand. In Nederland haalde de Socialistische Partij, een partij linkse van de sociaal-democratische PVDA, 7%. Samen met de 7,4% voor Groen Links en de 7,3% voor de nieuwe anti-corruptiepartij ‘Transparant Europa’ van Van Buitenen, is dit een belangrijke verandering in het politieke landschap.
Laagste score sinds 1912
Dit is een voorbeeld van wat overal in Europa plaats vindt. Het ongenoegen tegenover de traditionele partijen en het ontbreken van een grote partij van de arbeidersklasse leidt tot een opdeling van de stemmen voor kleinere lijsten links van de sociaal-democratie of populistische formaties. In Zweden haalde de nieuwe partij ‘Juni Lijst’ 14,4% van de stemmen. Die partij werd opgericht omdat de belangrijkste traditionele partijen geen uitdrukking geven aan de oppositie tegen de EU. De Zweden spraken zich eerder dit jaar in een referendum uit tegen de aansluiting bij de Eurozone. De Zweedse sociaal-democraten haalden nu hun laagste score sinds 1912, een gevolg van het feit dat de partij gezien wordt als verantwoordelijke voor de neo-liberale maatregelen.
In een aantal landen halen extreem-rechtse of neo-fascistische partijen hoge scores als ze erin slagen in te spelen op het ongenoegen tegenover het establishment. In België werd het Vlaams Blok de tweede grootste partij in Vlaanderen en haalde die partij ongeveer een kwart van de stemmen. Het Blok haalde meer stemmen dan de liberalen van premier Verhofstadt.
De Europese verkiezingen hebben de geloofwaardigheid van de traditionele partijen in zowat alle Europese landen aangetast. De arbeiders hebben overal aangegeven dat de EU niet overeenstemt met hun eisen of hun verlangens. Een volgende fase in deze ontwikkeling begint naar voor te komen, dat is een fase waarin belangrijke delen van de arbeidersklasse zich actief inzetten in strijdbewegingen om hun levensstandaard te verdedigen tegen het Europa van het kapitaal.
Om die strijd succesvol te maken moeten we onvermoeibaar ingaan tegen het neo-liberaal beleid en de aanvallen op onze verworvenheden. Dat moet gecombineerd worden met een programma van de socialistische omvorming van de samenleving. De eerste stappen daartoe kunnen genomen worden door de bestaande en nieuwe organisaties uit te bouwen tot instrumenten van arbeidersstrijd die bredere lagen kunnen aantrekken voor een socialistisch programma. Zoals het Franse voorbeeld aangeeft, zullen electorale allianties daartoe niet volstaan. We moeten de noodzaak van een socialistisch Europa op basis van arbeiderseenheid naar voor brengen.