Nederland. Welke bedreiging vormt populistisch rechts?

In 2002 sprak zowat iedereen van de Fortuyn-revolte, toen de LPF van de op dat moment al vermoorde Pim Fortuyn na de nationale verkiezingen met 26 zetels in de Tweede Kamer belandde. Het was een afstraffing voor 8 jaar Paars beleid. De zogenaamde “Puinhopen van Paars”, zoals Pim Fortuyn de gevolgen van het door de Paarse regeringscoalitie (PvdA, VVD en D66) gevoerde beleid noemde.

Bas de Ruiter

Inderdaad was er van 1994-2002 een beleid gevoerd dat de tweedeling in de maatschappij, de inkomensongelijkheid en de kosten van het bestaan voor de gewone werkende mensen en uitkeringsgerechtigden had doen toenemen. Wachtlijsten in zorg en onderwijs waren opgelopen, betaalbare (huur)woningen waren schaars geworden en op veel publieke voorzieningen en uitkeringen was bezuinigd.

Pim Fortuyn meende met zijn LPF een doorbraak te kunnen maken door de onvrede die er in de maatschappij bestond over bovengenoemde zaken te beantwoorden met een retoriek tegen moslims, en andere vreemdelingen, die de schuld zouden zijn van dit alles.

Na de aanslagen van 11 september 2001 in New York en de angst voor meer terroristische aanslagen ontstond er een klimaat waardoor deze zondebokgedachte nog meer ingang kon vinden onder een bepaald deel van de bevolking.

Vanuit de gevestigde partijen VVD, CDA en PvdA was er geen antwoord op het rechtspopulisme van Pim Fortuyn. Zelfs de SP was niet bij machte om een alternatief te bieden voor de populistische retoriek van Pim Fortuyn.

Extreem rechtse en neonazistische groepen, die meestal een ferme mate van homofobie koesteren, liepen weg met het rechtse homo-icoon Pim Fortuyn. Het zal voor hen niet ideaal zijn geweest, maar eindelijk was er weer eens een grote hard rechtse partij die hun gedachtegoed een “democratisch sausje” kon geven.

Tal van arbeiders die ongetwijfeld dit soort rechtsextremisme en neonazistisch gedachtegoed voor 100% afkeuren, stemden ook op de LPF en op de overleden Pim Fortuyn. Zijn partij haalde 17% bij de parlementsverkiezingen, goed voor 26 parlementszetels.

De LPF was echter een partij zoals alle traditionele rechtse partijen en beloofde meer bezuinigingen op sociale zekerheid, meer privatiseringen van publieke voorzieningen, meer winsten voor het bedrijfsleven door lastenverlagingen te steunen en de vrije markt verder haar vrije gang te laten gaan.

Met een dergelijk neoliberaal programma zou ook de LPF geen oplossing te bieden hebben voor de “Puinhopen van 8 jaar Paars”. Het was dan ook opmerkelijk te zien dat de SP, de antineoliberale partij bij uitstek, Pim Fortuyn eerder bevestigde in zijn gelijk – door te stellen dat zijn constateringen klopten – dan door hem op basis van zijn racistische en neoliberale ideeën te bestrijden.

Tegen de “verdeel en heers”-tactiek van Fortuyn had de SP de tactiek van gezamenlijke strijd van alle arbeiders en uitkeringsgerechtigden, ongeacht ras of religie, tegen het neoliberalisme moeten plaatsen.

De LPF bleek na de dood van Fortuyn een enorm onstabiele formatie, viel geleidelijk uiteen en in 2003 werden nieuwe verkiezingen georganiseerd waarna een kabinet van CDA, VVD en D66 tot stand kwam. Het CDA, maar vooral de VVD, had nu “geleerd” van de ontwikkelingen rond de LPF: ze namen het merendeel van zijn hard rechtse ideeën verder over.

Deze regeringscoalitie sneed nog harder dan de Paarse kabinetten in de sociale zekerheid, bezuinigde verder op publieke voorzieningen als zorg en onderwijs, voerde een enorm restrictief vluchtelingen- en migratiebeleid en liet de winsten van het bedrijfsleven verder stijgen ten koste van de banen en het inkomen van gewone werkende mensen.

Het verzet van de bevolking tegen het kabinet in de jaren die volgden op 2003, zoals de manifestatie in oktober 2004 en de campagne tegen de EU-grondwet in 2005, zorgde ervoor dat er een nieuwe solidariteit ontstond tussen autochtone en allochtone Nederlanders. Het onmenselijke asielbeleid van Rita Verdonk werd op den duur door de meerderheid van de bevolking afgekeurd, samen met alle andere maatregelen van het kabinet die tegen de belangen van de meerderheid van de bevolking ingingen.

Na de campagne tegen de EU-grondwet in 2005 is het nationale verzet tegen het rechtse en neoliberale beleid sterk afgezwakt. Nu na het aantreden van het kabinet Balkenende IV met CDA, PvdA en ChristenUnie is ook nog steeds op bedrijfs- en sectorniveau strijd zichtbaar tegen het verdergaande neoliberale beleid, waarin zelfs met dit nieuwe kabinet niet wezenlijk iets aan is veranderd. Een algemene nationale oppositie ontbreekt echter.

Zelfs de SP heeft verklaard dat ze positief staat tegenover wat Balkenende noemde “geen trendbreuk, maar een accentverschuiving”. Dat deze accentverschuiving ruim onvoldoende zal zijn om de fundamentele problemen in de maatschappij op te lossen, is geen onverwachte conclusie.

Zolang voor die fundamentele problemen geen helder socialistisch alternatief wordt geboden, dat de voedingsbodem van de problemen – de neoliberale kapitalistische economie en de winsthonger van bedrijven – aanpakt, kunnen nieuwe rechtspopulistische krachten profiteren van die problemen door middel van het aanwijzen van een zondebok.

Dat blijkt uit de 9 zetels die Wilders bij de Tweede Kamerverkiezingen haalde, en de 11% die hij volgens de peilingen als nationaal gemiddelde zou hebben gehaald als hij zou hebben meegedaan aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten.

Ook Wilders’ PVV (Partij Voor de Vrijheid) lijkt de sympathie te genieten van diverse extreem rechtse figuren en neonazi’s. Volgens de website van Kafka zijn er diverse leden en sympathisanten van extreemrechtse en neonazistische groepen die een handtekening hebben gezet op de formulieren die nodig waren voor de partij van Wilders om deel te nemen aan de verkiezingen.

De mogelijke richting waarin de PVV zich kan ontwikkelen laat zich goed zien bij onze zuiderburen in Vlaanderen, waar het Vlaams Belang bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen 33,5% haalde. Het Vlaams Belang is bovendien een partij waarin zich ook rechtsextremisten en neonazi’s bevinden: daarnaast schrikken diverse kopstukken van deze partij niet terug van geweld. Blokbuster, de anti-racistische organisatie van de LSP, noemt het Vlaams Belang niet voor niets een neofascistische partij.

Slechts een nieuwe arbeiderspartij met een fundamenteel antwoord op de uitbuiting en armoede die het kapitalisme voor de meerderheid van de bevolking betekent, kan de groei van dit soort partijen tegengaan. Het is een van de redenen dat nu in België aan een dergelijk nieuw initiatief wordt gewerkt met het Comité voor een Andere Politiek.

Tegelijkertijd is het een boodschap richting de SP in Nederland, dat een fundamenteel socialistisch alternatief noodzakelijk is om populistisch en extreem rechts te stoppen.