Schuldencrisis in derde grootste economie van de Eurozone duwt Berlusconi naar de uitgang
De dieper wordende crisis in de Eurozone heeft nog een regering ten val gebracht. Nu moest ook de Italiaanse premier Silvio Berlusconi zijn vertrek aankondigen. In de plaats daarvan komt er een ‘technocratische’ regering onder leiding van voormalig EU-commissaris Mario Monti. Nieuwe verkiezingen komen er pas in 2013. Net als de onverkozen regering-Papademos in Griekenland moet deze regering het dictaat van het internationaal financiekapitaal uitvoeren om de werkenden en de middenklasse te laten betalen voor de kapitalistische crisis.
Zoals door de trojka (Europese Unie, Europese Centrale Bank en het IMF) geëist, stemden beide kamers van het Italiaanse parlement voor een reeks besparingsmaatregelen. Het doel was om de ‘markten gerust te stellen’.
“Italië staat mogelijk op een keerpunt”, stelde een somber rapport van Barclays Capital vorige week. “We betwijfelen of de economische hervormingen in Italië zullen volstaan om de kredietwaardigheid te herstellen en de mogelijkheid van een vertrouwenscrisis te ontmijnen.” Dat was nog voor de dramatische gebeurtenissen in Rome.
De Italiaanse premier Berlusconi besliste immers uiteindelijk toch om af te treden. Hij deed dit nadat hij zijn absolute meerderheid in de Kamer was verloren. Na maandenlange druk van de EU, het IMF en de financiële markten, nadat hij de steun verloor van Confindustria (de werkgeversfederatie) en de katholieke kerk en uiteindelijk zelfs van leden van zijn eigen regering en de partij die hij zelf heeft opgericht, moest Berlusconi aankondigen dat hij zou opstappen. Dat gebeurde pas nadat nog een reeks besparingsmaatregelen werd aangekondigd.
Berlusconi werd opgeofferd om de markten te kalmeren. Dat gebeurde evenwel niet. Het leidde tot nog meer politieke en economische onrust met Europese en internationale gevolgen. De beurzen verloren wereldwijd terrein. De Italiaanse obligaties gingen boven de grens van 7%, het niveau waarop in Griekenland, Ierland en Portugal moest tussengekomen worden.
Italië ligt economisch gezien op intensieve zorgen. Het IMF en de EU controleren of de patiënt de voorgeschreven medicijnen van besparingen, privatiseringen en aanvallen op de rechten van de werkenden wel voldoende opneemt. Met een schuld van 1,9 triljoen euro, wat meer is dan Griekenland, Portugal en Ierland samen, zal het niet evident zijn om Italië te ‘redden’. De bestaande middelen van het Europese Financiële Stabiliteitsfonds (EFSF), geschat op 250 miljard euro dat nog beschikbaar is, zullen alvast niet volstaan. Dat komt overeen met een poging om de Titanic te redden met enkele emmers.
Het beleid van de ECB om Italiaanse obligaties op te kopen heeft de crisis niet gestopt. Deze crisis is bedreigend voor de hele eurozone. Dat is waarom zoveel druk op Berlusconi werd gezet om af te treden. Er wordt gehoopt dat een regering van technocraten de markten kan gerust tellen en de besparingsmaatregelen kan opleggen die Berlusconi schijnbaar niet wilde of kon opleggen.
Wat nu?
Velen waren blij met het vertrek van Berlusconi. Er waren tienduizenden betogers aan het parlement om de uittocht van Berlusconi te vieren. Hij moest langs een achteruitgang het parlement verlaten. De betogers stonden niet alleen, ze gaven uitdrukking aan een breed gedragen gevoel van afkeer tegenover de man die de afgelopen 17 jaar de Italiaanse politiek heeft gedomineerd.
Maar in het feestgewoel was er meteen ook bezorgdheid. Het is immers maar de vraag of het zonder Berlusconi veel beter zal worden. De EU heeft op ondemocratische wijze een eigen marionet aangesteld in de figuur van Mario Monti. Die heeft als taak om met een regering van onverkozen ‘technocraten’ een hard besparingsbeleid te voeren.
Dat beleid wordt volledig bepaald door de dictaten die de ECB in augustus al naar de vorige regering stuurde: een beperking van de uitgaven voor de publieke sector, indien nodig loonsverlagingen in de publieke sector, grootschalige privatiseringen van lokale diensten, verhoging van de pensioenleeftijd, vereenvoudigen van de mogelijkheden om werknemers af te danken,… Dat is waar Monti voor staat: de werkenden en hun gezinnen op sociaal vlak “the full monty” achterlaten.
De verantwoordelijken voor de crisis bepalen nu het besparingsbeleid dat de Italiaanse economie nog verder in de recessie zal duwen en het schuldenprobleem enkel erger zal maken, net als in Griekenland.
De afkeer tegenover de politieke kaste is bijzonder groot, de crisis is zo diepgaand en het gebrek aan politieke vertegenwoordiging voor de gewone bevolking zo schrijnend dat velen Monti nog wat respijt geven.
Alle partijen, met uitzondering van de Lega Nord, steunen Monti en ook de belangrijkste vakbondsfederaties hebben hun steun uitgesproken. Wellicht zal Monti proberen om met een beperkte vermogensbelasting en de vermindering van de uitgaven voor het parlement het idee te wekken dat iedereen offers moet brengen.
Het is echter niet zeker dat zelfs dergelijke beperkte maatregelen door het parlement zullen geraken. Als de ware aard van de nieuwe regering duidelijk wordt en iedereen beseft wie wordt gevraagd om voor de crisis te betalen, kan dit snel leiden tot een terugkeer van de politieke crisis.
In september waren er miljoenen werkenden die staakten na een oproep van de vakbond Cgil. Er waren op 15 oktober honderdduizenden betogers in Rome om te protesteren tegen de regering en het volledige systeem.
Een nieuwe generatie van jongeren komt in opstand tegen het gebrek aan toekomstperspectieven (de jongerenwerkloosheid bedraagt 30%) en tegen een systeem waarin de winsten en belangen van een kleine minderheid centraal staan.
Het tijdperk na Berlusconi zal er een zijn van besparingen, crisis, strijd en verzet. In dat verzet zullen we tot een massaal politiek alternatief op het kapitalisme moeten komen.